Bijvoeglijk naamwoord: Uitleg & Oefenen

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Wat is een bijvoeglijk naamwoord precies en hoe herken je het in een zin? We geven uitleg en voorbeelden.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord vertelt iets over een zelfstandig naamwoord. Het vertelt bijvoorbeeld iets over een eigenschap, een kleur, een aantal of een formaat. Woorden zoals rodeoudezachtemeerdere en snelle zijn allemaal bijvoeglijke naamwoorden. 

Een bijvoeglijk naamwoord kan op verschillende plekken in een zin staan. Het kan direct voor het zelfstandige naamwoord waar het iets over zegt staan, maar het kan ook achter het zelfstandig naamwoord komen. Het bijvoeglijk naamwoord kan zelfs zonder het zelfstandige naamwoord gebruikt worden. Dan komt er een lidwoord voor te staan. 

Wat is de regel van bijvoeglijk naamwoord?

Er zijn verschillende regels en ezelsbruggetjes rondom het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden. We zetten ze voor je op een rijtje.

  • Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Dit is ook meteen het verschil met een bijwoord. Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of ander bijwoord.
  • Een bijvoeglijk naamwoord staat vaak direct voor het zelfstandige naamwoord waar het iets over zegt, maar kan ook na het zelfstandige naamwoord of na een koppelwerkwoord staan.
  • Het bijvoeglijk naamwoord kan vervoegd worden, afhankelijk van het zelfstandige naamwoord waar het iets over zegt.
  • Bij stoffen en materialen eindigt het bijvoeglijk naamwoord op -en.
  • Een voltooid deelwoord kan ook een bijvoeglijk naamwoord zijn.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in een zin?

Bijvoeglijke naamwoorden zeggen in een zin iets over een zelfstandig naamwoord. De makkelijkste manier om bijvoeglijke naamwoorden in een zin te vinden, is daarom om te kijken naar de zelfstandige naamwoorden. We geven een paar voorbeelden.

  • De zwarte kat speelt in de grote tuin.
    • In deze zin zegt ‘zwarte’ iets over kat en ‘grote’ iets over tuin.
  • Het gelezen tijdschrift ligt op de houten tafel.
    • ‘Gelezen’ zegt iets over tijdschrift en ‘houten’ zegt iets over tafel. Omdat ‘houten’ een materiaal is, schrijf je het met -en aan het einde.
  • De lieve juf werkt op een kleine school.
    • ‘Lieve’ zegt iets over juf en ‘kleine’ zegt iets over school.
  • Ik wil graag die rode.
    • Hoewel er geen zelfstandig naamwoord in de zin staat, verwijst ‘rode’ in dit geval naar iets wat blijkbaar eerder genoemd is. Het kan bijvoorbeeld om een rode jas, een rood ijsje of een rode fiets gaan. Aangezien je dit uit de context kan afleiden, is ‘rode’ wel een bijvoeglijk naamwoord.

Bijvoeglijk naamwoord oefenen met voorbeelden

Het herkennen van bijvoeglijke naamwoorden kan soms lastig zijn. Wil je hier beter in worden? Oefen dan met onderstaande voorbeelden.

  1. De blauwe fiets staat in het kleine schuurtje.
  2. Het vervelende zusje pakt het speelgoed af van haar grote broer.
  3. De warme thee valt over het stoffen vloerkleed.

Antwoorden:

  1. blauwe, kleine.
  2. vervelende, grote.
  3. warme, stoffen.

Wil je nog meer oefenen met het herkennen van bijvoeglijke naamwoorden en andere woordsoorten? Onze oefentoetsen voor Nederlands helpen je hierbij.