Tegenwoordige tijd: Uitleg & Oefenen
Zinnen in de tegenwoordige tijd komen veel voor. Ze beschrijven iets wat nu of in de toekomst gebeurt. Welke soorten tegenwoordige tijd zijn er en hoe schrijf je ze? We leggen het uit aan de hand van voorbeelden.
Wat zijn de tegenwoordige tijden?
In het Nederlands kennen we verschillende soorten tegenwoordige tijden. Hoewel alle tegenwoordige tijden iets zeggen over iets wat nu of in de toekomst gebeurt, zit er wel degelijk verschil tussen de verschillende tegenwoordige tijden.
| Tijd | Uitleg | Voorbeeld |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) | Iets dat NU gebeurt. | Ik ren naar school. |
| Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) | Iets dat afgerond is. | Hij heeft dat boek gelezen. |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (OTTT) | Iets dat gaat gebeuren. | Zij zullen straks zingen. |
De tegenwoordige tijd waarin een zin staat, zegt dus iets over de activiteit. Gebeurt iets nu, is het al afgerond of moet het juist nog plaatsvinden? Het herkennen en gebruiken van de juiste tegenwoordige tijd is daarom erg belangrijk.
Het herkennen van de verschillende tegenwoordige tijden
Je herkent de verschillende tegenwoordige tijden door naar de werkwoorden in de zin te kijken. Aan de persoonsvorm kun je bijna altijd direct zien om welke tijd het gaat.
| Tijd | Hoe herken je het? | Voorbeeld |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) | Het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd en heeft geen hulpwerkwoord nodig (behalve bij hebben/zijn/worden). | Ik maak mijn huiswerk. |
| Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) | Er is altijd een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord nodig. | Wij zijn samen naar buiten gegaan. |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (OTTT) | Er staat een vorm van zullen of gaan plus een infinitief (heel werkwoord) | De voorstelling zal zo beginnen. |
Werkwoordspelling: Hoe weet je of er een d of t achter moet?
De werkwoordspelling van de tegenwoordige tijd roept regelmatig vragen op. Vooral ‘d-tjes’ en ‘t-tjes’ zijn erg lastig. Hoe weet je nou of er een d of een t achter een werkwoord moet komen? We leggen je de regels nog eens duidelijk uit.
Om te weten of er in de onvoltooid tegenwoordige tijd een d of een t achter een werkwoord moet komen, doorloop je de volgende stappen.
- Zoek de persoonsvorm. Dat doe je door de tijd van de zin te veranderen of door een vraag van de zin te maken.
- Zoek de stam van dat werkwoord. De stam is het hele werkwoord min -en.
- Bepaal het onderwerp. Daarvoor geef je antwoord op de vraag: ‘Wie of wat + persoonsvorm’.
- Pas de volgende regels toe:
- De ik-vorm krijgt nooit een -t.
- Een ander enkelvoud (mens, dier of ding) krijgt altijd een -t, behalve als er ‘je’ of ‘jij’ achter het werkwoord staat.
- Een werkwoord krijgt in de tegenwoordige tijd NOOIT een extra -d. Het werkwoord kan alleen op een -d eindigen als de stam van dat werkwoord op een -d eindigt.
We laten het je zien aan de hand van een paar voorbeelden.
| Werkwoord | Stam | Vervoegingen |
| Luisteren | Luisteren min -en = luister | Ik luister Jij, u luistert, maar luister jij? Hij/zij/het luistert Wij luisteren Jullie luisteren Zij luisteren |
| Worden | Worden min -en = word | Ik word Jij, u wordt, maar word jij? Hij/zij/het wordt Wij worden Jullie worden Zij worden |
| Fietsen | Fietsen min - en = fiets | Ik fiets Jij, u fietst, maar fiets jij? Hij/zij/het fietst Wij fietsen Jullie fietsen Zij fietsen |
Werkwoordspelling met een voltooid deelwoord
De werkwoordspelling van een voltooid deelwoord roept ook regelmatig vragen op. Om hierbij te weten of je een -d of een -t moet schrijven, gebruik je ‘t Kofschip. Met dit ezelsbruggetje weet je precies wanneer er een -d of een -t nodig is.
- Is de laatste letter van de stam van het werkwoord één van de letters van ‘t Kofschip? Dan volgt er een -t.
- Is de laatste letter van de stam van het werkwoord een andere letter? Dan schrijf je een -d.
Een paar voorbeelden om dit uit te leggen:
| Werkwoord | Stam | Vervoeging |
| Luisteren | Luisteren min -en = luister | Ik heb geluisterd |
| Werken | Werken min - en = werk | Ik heb gewerkt |
| Fietsen | Fietsen min - en = fiets | Ik heb gefietst |
Daarnaast zijn er ook nog werkwoorden die een onregelmatige vervoeging krijgen. Die zul je uit je hoofd moeten leren.
Onvoltooide tegenwoordige tijd en voltooide tegenwoordige tijd
Het belangrijkste verschil tussen de onvoltooid tegenwoordige tijd en de voltooid tegenwoordige tijd is het wel of niet afronden van een activiteit. Bij de onvoltooid tegenwoordige tijd is de activiteit nog bezig. Bij de voltooid tegenwoordige tijd is de activiteit al afgerond. Dit verschil herken je aan de aanwezigheid van een hulpwerkwoord in de voltooid tegenwoordige tijd.
- Ik wandel door het bos = OTT, want het is nu bezig.
- Ik heb door het bos gewandeld = VTT, want het is al afgerond.
Tegenwoordige tijd oefenen met voorbeelden
De verschillende soorten tegenwoordige tijden en hun werkwoordspelling leer je het beste door er veel mee te oefenen. We geven je hieronder een paar oefeningen. Geef aan in welke tijd deze zinnen staan.
- Marit en Yara wandelen samen naar school.
- De kinderen hebben vandaag goed naar de juf geluisterd.
- Uw presentatie is erg interessant.
- Wij zullen straks samen op schoolreisje gaan.
- Het boek ligt op tafel.
Antwoorden:
- Onvoltooid tegenwoordige tijd.
- Voltooid tegenwoordige tijd.
- Onvoltooid tegenwoordige tijd.
- Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd.
- Onvoltooid tegenwoordige tijd.
Wil je nog meer oefenen met het herkennen en toepassen van de tegenwoordige tijd?
Gebruik dan onze Nederlands oefentoetsen en oefen met nog veel meer voorbeelden.