Verleden tijd en voltooid deelwoord: Uitleg & Oefenen

Om aan te geven dat iets in het verleden gebeurd of begonnen is, gebruik je de verleden tijd. Hierbij is er een verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden. We leggen het uit en geven je voorbeelden.

Wat is de regel van verleden tijd?

Om te bepalen wat de verleden tijd van een werkwoord is, moet je eerst weten of je met een sterk of een zwak werkwoord te maken hebt. Een zwak werkwoord houden zich keurig aan de regels en worden op die manier vervoegd. Sterke werkwoorden zijn onregelmatige werkwoorden en worden dus op een andere manier vervoegd.

Zwakke werkwoorden

Heb je te maken met een zwak werkwoord? Dan volg je de volgende regels om het in de verleden tijd te zetten.

  1. Vind de stam. Dit doe je door van het hele werkwoord (het infinitief) -en af te halen.
    1. Bijvoorbeeld: Luisteren → luister
  2. Gebruik ‘t Kofschip. Zit de laatste letter van de stam in ‘t Kofschip? Dan is de verleden tijd stam + te/ten.
  3. Zit de laatste letter van de stam niet in ‘t Kofschip? Dan is de verleden tijd stam + de/den.
WerkwoordStam (wel niet in ‘t Kofschip)Verleden tijd enkelvoud/meervoud
PraatPraten - en = Praa(wel)Praatte/praatten
LuisterenLuisteren - en = Luiste(niet)Luisterde/luisterden
WandelenWandelen - en = Wande(niet)Wandelde/wandelden
KokenKook - en = Koo(wel)Kookte/kookten

Sterke werkwoorden

Sommige werkwoorden houden zich niet aan bovenstaande regels. Dat zijn onregelmatige werkwoorden. Vaak verandert de klinker van zo’n werkwoord als je deze in de verleden tijd zet. Hier is geen vaste regel voor, dus je zult deze woorden uit je hoofd moeten leren. Enkele voorbeelden van sterke werkwoorden zijn:

  • Zingen → Zong/zongen.
  • Vinden → Vond/vonden.
  • Eten → At/aten.
  • Lopen → Liep/liepen.

Wat is het voltooid deelwoord?

Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm waarmee je aangeeft dat een handeling afgelopen is. Het voltooid deelwoord komt zowel in de voltooid tegenwoordige tijd als in de voltooid verleden tijd voor. Daarbij verandert het voltooid deelwoord niet. De persoonsvorm geeft aan of het om de voltooid tegenwoordige tijd of de voltooid verleden tijd gaat.

Het voltooid deelwoord maak je op de volgende manier:

  • ge + stam + d of t

Net als bij de verleden tijd gebruik je ‘t Kofschip om te bepalen of je een d of t schrijft. 

WerkwoordStam (wel niet in ‘t Kofschip)Voltooid deelwoord
WerkenWerken - en = werk (wel)Gewerkt
WonenWonen - en = woon (niet)Gewoond
FietsenFietsen - en = fiet(wel)Gefietst
MakenMaken - en = maak (wel)Gemaakt

Daarnaast zijn er ook enkele onregelmatige werkwoorden, waarbij het voltooid deelwoord op een andere manier geschreven wordt. Het gaat onder andere om:

  • Lopen → Gelopen.
  • Springen → Gesprongen.
  • Eten → Gegeten
  • Vinden → Gevonden.

Wat is het verschil tussen de voltooide tijd en de verleden tijd?

Er zijn in het Nederlands veel verschillende werkwoordstijden die allemaal net iets anders aangeven. Het is belangrijk om de verschillen tussen die tijden te kennen. Als je het hebt over de voltooide tijd en de verleden tijd is het belangrijk om te weten dat er zowel van de voltooide tijd als van de verleden tijd verschillende varianten bestaan.

  • De onvoltooid verleden tijd verwijst naar een gebeurtenis die in het verleden gebeurde, zonder nadruk op het resultaat.
  • De voltooid verleden tijd verwijst ook naar een gebeurtenis, maar dan naar een gebeurtenis die plaatsvond vóór een andere gebeurtenis in het verleden.
  • De voltooid tegenwoordige tijd verwijst naar een gebeurtenis uit het verleden, waarvan het effect nog in het heden merkbaar is.

Verleden tijd en voltooid deelwoord oefenen met voorbeelden

Om de verschillende werkwoordstijden goed te leren herkennen, is het verstandig om veel te oefenen. We hebben hieronder een paar zinnen staan waarmee je de verleden tijd en het voltooid deelwoord kunt oefenen. 

  1. Gisteren _____ (werken) ik de hele dag in de tuin.
  2. De kinderen _____ goed naar de juf _____ (luisteren).
  3. Oma en opa ______ (komen) gisteren op bezoek.
  4. We  _____ (eten), voordat we naar voetbal ____ (gaan).
  5. Vanmorgen ____ (spring) ik meteen in het zwembad.

Antwoorden:

  1. werkte
  2. hebben geluisterd
  3. kwamen
  4. hebben gegeten, gingen.
  5. sprong.

Wil je nog meer oefenen met voorbeelden en uitleg bij elke oefening? 
Gebruik dan onze uitgebreide oefentoetsen voor Nederlands. Ook voor oefeningen met andere werkwoordstijden kun je die toetsen gebruiken. Zo weet jij straks precies wanneer je welke tijd gebruikt en wanneer je een d of een t schrijft.