Voornaamwoorden: Uitleg & Oefenen

In het Nederlands kennen we verschillende soorten voornaamwoorden. Welke soorten voornaamwoorden zijn er allemaal? We geven je uitleg en voorbeelden.

Wat zijn voornaamwoorden?

Een voornaamwoord is een woord dat in een zin verwijst naar iets wat al bekend is. Dit ‘iets’ kan een persoon zijn, maar ook een ding, dier of idee. Afhankelijk van waar je naar verwijst, gebruik je een bepaald type voornaamwoord. Je gebruikt het voornaamwoord dus in feite als vervanging voor een zelfstandig naamwoord. 

Een voornaamwoord zelf heeft eigenlijk geen betekenis. De betekenis krijgt het door het woord waar het naar verwijst. Het woord waar een voornaamwoord naar verwijst, kan zowel binnen dezelfde tekst staan als buiten de tekst. Dan is datgene waar het naar verwijst al bekend bij de lezer of luisteraar.

Bijvoorbeeld:

  • Marianne fietst elke dag naar school. Zij vindt dat erg fijn.
    • Een verwijzing binnen de tekst. ‘Zij’ verwijst naar de eerder genoemde Marianne. ‘Dat’ verwijst naar het eerder genoemde fietsen.
  • Zij fietst elke dag naar school, omdat ze dat fijn vindt.
    • In deze zin is niet duidelijk wie ‘zij’ is. Dat moet dus al bekend zijn bij de lezer/luisteraar. ‘Dat’ verwijst wel naar het genoemde fietsen.

Er zijn veel verschillende soorten voornaamwoorden. Waar ze naar verwijzen, verschilt dan ook per type woord. In één zin kunnen meerdere soorten voornaamwoorden staan. Kijk maar naar de volgende zin:

  • Zij laat mij zien welk cadeau ze voor haar moeder heeft uitgezocht.

In deze zin staan de volgende voornaamwoorden: Zij (persoonlijk), mij (persoonlijk), welk (aanwijzend), ze (persoonlijk), haar (bezittelijk). Let dus bij het ontleden van zinnen altijd goed op de voornaamwoorden, want dit kunnen er behoorlijk veel zijn.

Wat zijn alle soorten voornaamwoorden?

Er zijn in het Nederlands een flink aantal verschillende soorten voornaamwoorden. Elk van die woorden verwijst naar iets anders. Om het je goed uit te leggen, zetten we ze met voorbeelden voor je op een rijtje.

Soort voornaamwoordUitlegVoorbeeld 
Persoonlijk voornaamwoordVerwijst naar personen of dingenIk loop naar school.
Bezittelijk voornaamwoordGeven aan van wie iets is.Het is mijn boek.
Wederkerend voornaamwoordVerwijst terug naar het onderwerp van de zinHij schaamt zich.
Wederkerig voornaamwoordGeeft aan dat twee personen een wederzijdse handeling uitvoeren. Er is maar één wederkerig voornaamwoord: elkaar.Lisa en Ali helpen elkaar met het huiswerk.
Aanwijzend voornaamwoordWijst iets of iemand aan.Dat is Lisa’s huis.
Betrekkelijk voornaamwoordVerwijzen terug en koppelen de zin met een bijzin.Het schilderij dat ik maak, wordt heel erg mooi.
Vragend voornaamwoord‘Vraagt’ naar personen of dingen.Ik heb drie cadeautjes. Welk pakje wil jij?
Onbepaald voornaamwoordVerwijst in het algemeen naar iets of iemand.Ieder kind moet verplicht naar school.
Uitroepend voornaamwoordDrukt emotie uit.Wat een prachtige schoolfoto!

 

Voornaamwoorden oefenen met voorbeelden

Nu je weet wat de betekenis van de verschillende soorten voornaamwoorden is, is het tijd om te gaan oefenen. Hieronder vind je vijf voorbeelden om mee te oefenen. Haal uit alle zinnen de voornaamwoorden en geef aan om welk type voornaamwoord het gaat.

  1. Hij liep samen met zijn zusje naar school.
  2. De kinderen helpen elkaar met opruimen.
  3. Morgen komt het boek dat ik geschreven heb in de winkel.
  4. Wie heeft mijn rode jas gezien?
  5. Hij schaamt zich voor zijn domme opmerking.

Antwoorden:

  1. Hij (persoonlijk), zijn (bezittelijk).
  2. Elkaar (wederkerig).
  3. Dat (betrekkelijk), ik (persoonlijk).
  4. Wie (vragend).
  5. Hij (persoonlijk), zich (wederkerend), zijn (bezittelijk).

Voornaamwoorden ezelsbruggetjes

Voornaamwoorden zijn best wel lastig. In veel zinnen staan meerdere soorten voornaamwoorden, waardoor je er gemakkelijk eentje over het hoofd ziet. Er zijn enkele ezelsbruggetjes waarmee het leren van de voornaamwoorden gemakkelijker wordt. 

  • Bij voornaamwoorden worden wederkerend en wederkerig regelmatig door elkaar gehaald. Onthoud dat in het woord ‘wederkerend’ het stukje ‘kerend’ verwijst naar het terugkeren. Een wederkerend voornaamwoord verwijst daarom terug naar het onderwerp van een zin.
  • Een persoonlijk voornaamwoord verwijst altijd naar een persoon, ding of dier. Het gaat dus om woorden zoals ik, jij, hij, zij, wij, u, het.
  • Een vragend voornaamwoord hoort altijd bij een zin.
  • Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is. Denk aan mijn, zijn, haar, uw, jouw.
  • Voornaamwoorden verwijzen altijd naar iets anders. Vraag je daarom altijd af waar het voornaamwoord naar verwijst, zodat je gemakkelijk weet om welk soort voornaamwoord het gaat.
  • Denk je alle voornaamwoorden uit een zin te hebben gehaald? Controleer de zin dan altijd nog een keertje, zodat je zeker weet dat je niets over het hoofd hebt gezien. Vooral bij lange zinnen is dat belangrijk. 

De beste manier om verschillende soorten voornaamwoorden te leren herkennen, is door er veel mee te oefenen. Onze oefentoetsen voor Nederlands helpen je daarbij. Ook andere onderwerpen die bij het ontleden van zinnen belangrijk zijn, kun je met die toetsen oefenen.