Duits begrippen
1e en 4e naamval
De 1e naamval (Nominativ) is in het Duits de vorm van het onderwerp; de 4e naamval (Akkusativ) is de vorm van het lijdend voorwerp. Alleen het mannelijke lidwoord verschilt: der wordt den.
3e en 4e naamval
De 3e naamval (Dativ) gebruik je in het Duits voor het meewerkend voorwerp en na bepaalde voorzetsels; de 4e naamval (Akkusativ) voor het lijdend voorwerp en na andere voorzetsels. De lidwoorden veranderen mee: dem, der, dem, den in de 3e en den, die, das, die in de 4e naamval.
Bezittelijke voornaamwoorden
Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is: mein (mijn), dein (jouw), sein (zijn), ihr (haar), unser (ons), euer (jullie) en ihr of Ihr (hun, uw). In het Duits krijgen ze dezelfde uitgangen als ein.
Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord, zoals groß in der große Hund. Staat het in het Duits vóór het zelfstandig naamwoord, dan krijgt het een uitgang die afhangt van het lidwoord, het geslacht en de naamval.
Der, die of das
Der, die en das zijn de drie bepaalde lidwoorden in het Duits: der voor mannelijke woorden, die voor vrouwelijke woorden en das voor onzijdige woorden. Welk lidwoord een woord krijgt, hangt af van het geslacht van het zelfstandig naamwoord en leer je het beste samen met het woord zelf.
Feesttentenregel
De feesttentenregel is een ezelsbruggetje om de uitgangen van Duitse werkwoorden in de tegenwoordige tijd te onthouden. Lees je de uitgangen e, st, t, en, t, en achter elkaar met fe ervoor, dan staat er feesttenten.
Gebiedende wijs (Imperativ)
De gebiedende wijs (Imperativ) gebruik je in het Duits om een bevel, verzoek of advies te geven. Er zijn drie vormen: voor du, voor ihr en voor Sie.
Getallen in het Duits
De Duitse getallen lijken op de Nederlandse: eins, zwei, drei. Vanaf 21 zeg je net als in het Nederlands eerst de eenheden en dan de tientallen, aan elkaar geschreven: einundzwanzig.
Haben en sein
Haben (hebben) en sein (zijn) zijn de twee belangrijkste Duitse werkwoorden. Je gebruikt ze als zelfstandig werkwoord en als hulpwerkwoord in de voltooide tijd, en hun vervoeging is onregelmatig.
Keuzevoorzetsels
Keuzevoorzetsels (Wechselpräpositionen) zijn de negen Duitse voorzetsels waarna zowel de 3e als de 4e naamval kan volgen: an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor en zwischen. Bij een beweging naar een doel kies je de 4e naamval, bij een plaats de 3e naamval.
Kloktijden in het Duits
De Duitse kloktijden werken grotendeels zoals de Nederlandse: halb acht is half acht (7.30 uur). Je gebruikt nach voor over en vor voor voor: Viertel nach sieben is kwart over zeven.
Meervoud in het Duits
Het Duits vormt het meervoud met verschillende uitgangen: -e, -er, -(e)n, -s of geen uitgang, vaak in combinatie met een umlaut. Welk meervoud een woord krijgt, leer je het beste samen met het woord zelf.
Modale werkwoorden
Modale werkwoorden zeggen iets over hoe de handeling in de zin bedoeld is: of iets mag, kan of moet. Het Duits kent er zes: dürfen, können, mögen, müssen, sollen en wollen.
Onvoltooid verleden tijd (Präteritum)
Het Präteritum is de onvoltooide verleden tijd van het Duits, vergelijkbaar met ik speelde in het Nederlands. Je komt deze tijd vooral tegen in geschreven teksten en bij haben, sein en de modale werkwoorden.
Persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar personen of dingen: ich, du, er, sie, es, wir, ihr, sie en Sie. In het Duits veranderen ze mee met de naamval: ich wordt mich (4e naamval) en mir (3e naamval).
Rangtelwoorden
Rangtelwoorden geven een volgorde aan: der erste, der zweite, der dritte. In het Duits maak je ze van 2 tot en met 19 met -te en vanaf 20 met -ste, en achter het cijfer zet je een punt.
Signaalwoorden
Signaalwoorden zijn woorden die de opbouw van een Duitse tekst aangeven, zoals aber (maar), deshalb (daarom) en zuerst (eerst). Ze helpen je bij lees- en luistertoetsen om verbanden tussen zinnen te herkennen.
Sterke werkwoorden
Sterke werkwoorden zijn Duitse werkwoorden die bij het vervoegen van klinker veranderen. Hun voltooid deelwoord eindigt op -en, zoals bij fahren, fuhr, gefahren.
Trappen van vergelijking
De trappen van vergelijking zijn de drie vormen waarmee je vergelijkt: schnell, schneller, am schnellsten. In het Duits krijgen korte woorden met a, o of u in de vergrotende en overtreffende trap vaak een umlaut.
Voegwoorden
Voegwoorden verbinden zinnen of zinsdelen met elkaar, zoals und (en), aber (maar) en weil (omdat). In het Duits bepaalt het voegwoord de plaats van het werkwoord in de zin.
Voltooid deelwoord (Perfekt)
Het voltooid deelwoord (Partizip II) is de werkwoordsvorm die je in het Duits samen met haben of sein gebruikt om de voltooide tijd (Perfekt) te maken. Zwakke werkwoorden krijgen ge- en -t (gemacht), sterke werkwoorden ge- en -en (gefahren).
Voorzetsels in het Duits
Voorzetsels zijn woorden als mit, für en in die de relatie tussen woorden aangeven. In het Duits bepaalt het voorzetsel welke naamval erna komt: de 3e, de 4e of allebei.
Voorzetsels met de 4e naamval
Na de voorzetsels durch, für, gegen, ohne, um, bis en entlang volgt in het Duits altijd de 4e naamval (Akkusativ). Je onthoudt deze voorzetsels met het ezelsbruggetje GOUDBEF.
Vraagwoorden
Vraagwoorden zijn de woorden waarmee je in het Duits een open vraag begint, zoals wer (wie), was (wat), wo (waar) en wann (wanneer). Het vraagwoord wer verandert mee met de naamval: wer, wen, wem, wessen.
Werden
Werden is een Duits werkwoord met drie functies: als zelfstandig werkwoord betekent het worden, als hulpwerkwoord vormt het de toekomende tijd (Futur) en de lijdende vorm (Passiv).
Zwakke werkwoorden
Zwakke werkwoorden zijn de regelmatige werkwoorden van het Duits: hun stam verandert nooit. Je vervoegt ze in de tegenwoordige tijd met de vaste uitgangen e, st, t, en, t, en (de feesttentenregel).