Engels begrippen
Adverbs (bijwoorden)
Adverbs (bijwoorden) zeggen iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord: she sings beautifully. De meeste adverbs maak je door -ly achter het bijvoeglijk naamwoord te zetten.
Conditionals (if-zinnen)
Conditionals zijn if-zinnen die een voorwaarde en een gevolg combineren: If it rains, we stay inside. Het Engels kent vier basisvormen: de zero, first, second en third conditional.
Conjunctions (voegwoorden)
Conjunctions (voegwoorden) verbinden woorden, zinsdelen of zinnen: and, but, or, because, although. Ze maken duidelijk wat het verband is tussen de delen van een zin.
Either of neither
Either betekent een van beide of allebei mogelijk; neither betekent geen van beide. Je gebruikt ze in de vaste combinaties either ... or en neither ... nor, en als korte reactie: me neither.
Future (will en going to)
De future is de Engelse toekomende tijd. De twee belangrijkste vormen zijn will + heel werkwoord voor voorspellingen en spontane beslissingen, en to be going to voor plannen en voornemens.
Gerund
Een gerund is de -ing-vorm van een werkwoord die je als zelfstandig naamwoord gebruikt: Swimming is fun. De gerund staat onder andere na voorzetsels en na werkwoorden als enjoy, like en hate.
Hoofdletters in het Engels
Het Engels gebruikt vaker hoofdletters dan het Nederlands: dagen, maanden, talen, nationaliteiten en het woord I schrijf je altijd met een hoofdletter. Monday, July, English en I krijgen dus altijd een kapitaal.
Irregular verbs
Irregular verbs zijn Engelse onregelmatige werkwoorden die in de verleden tijd en het voltooid deelwoord niet op -ed eindigen, zoals go, went, gone. Je leert ze in rijtjes van drie vormen.
Its of it's
Its zonder apostrof is een bezittelijk voornaamwoord (zijn of haar bij dingen en dieren); it's met apostrof is de samentrekking van it is of it has. De apostrof staat er dus alleen als je it is of it has kunt zeggen.
Koppelwerkwoorden (linking verbs)
Koppelwerkwoorden (linking verbs) verbinden het onderwerp met een eigenschap of toestand: to be, become, seem, look, feel, sound en taste. Na een koppelwerkwoord volgt een bijvoeglijk naamwoord, geen bijwoord.
Linking words
Linking words zijn woorden en woordgroepen die zinnen en alinea's met elkaar verbinden, zoals however, therefore en for example. Ze maken je Engelse tekst logischer en zijn onmisbaar bij lees- en schrijfvaardigheid.
Maanden in het Engels
De twaalf maanden in het Engels zijn January, February, March, April, May, June, July, August, September, October, November en December. Je schrijft ze altijd met een hoofdletter.
Meervoud in het Engels
Het Engelse meervoud maak je meestal met -s: one book, two books. Woorden op -s, -sh, -ch en -x krijgen -es, en er is een groep onregelmatige meervouden zoals man, men en child, children.
Modal verbs
Modal verbs zijn hulpwerkwoorden die aangeven of iets kan, mag, moet of zal: can, could, may, might, must, shall, should, will en would. Ze krijgen nooit een -s en er volgt altijd een heel werkwoord zonder to.
Much of many
Much en many betekenen allebei veel, maar much hoort bij ontelbare woorden (much water) en many bij telbare woorden in het meervoud (many books).
Passive (lijdende vorm)
De passive of lijdende vorm gebruik je als niet de dader maar de handeling of het lijdend voorwerp centraal staat: The window was broken. Je maakt de passive met een vorm van to be plus het voltooid deelwoord.
Past simple
De past simple is de Engelse verleden tijd voor afgeronde gebeurtenissen: I walked to school yesterday. Regelmatige werkwoorden krijgen -ed; onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm uit het rijtje.
Past continuous
De past continuous beschrijft iets dat op een bepaald moment in het verleden bezig was: I was watching TV at eight o'clock. Je maakt hem met was of were plus het werkwoord met -ing.
Past perfect
De past perfect gebruik je voor iets dat al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: I had finished my homework before dinner. Je maakt hem met had plus het voltooid deelwoord.
Prepositions (voorzetsels)
Prepositions (voorzetsels) geven de relatie in tijd of plaats aan, zoals at, in en on. Het Engels gebruikt ze net iets anders dan het Nederlands: on Monday, in July, at five o'clock.
Present simple
De present simple is de Engelse tegenwoordige tijd voor feiten, gewoontes en dingen die regelmatig gebeuren: I play football every week. Bij he, she en it komt er een -s achter het werkwoord.
Present continuous
De present continuous is de Engelse tijd voor iets dat nu aan de gang is of tijdelijk is: I am reading a book. Je maakt hem met am, is of are plus het werkwoord met -ing.
Present perfect
De present perfect is de Engelse tijd voor iets dat in het verleden begon en nu nog belangrijk is of doorloopt: I have lost my keys. Je maakt hem met have of has plus het voltooid deelwoord.
Possessive pronouns (bezittelijk voornaamwoord)
Possessive pronouns geven aan van wie iets is. Het Engels kent bijvoeglijke vormen die voor een zelfstandig naamwoord staan (my, your, his, her, its, our, their) en zelfstandige vormen die alleen staan (mine, yours, his, hers, ours, theirs).
Relative clauses (betrekkelijke bijzinnen)
Relative clauses zijn betrekkelijke bijzinnen die extra informatie geven over een woord in de zin: The boy who lives next door is my friend. Ze beginnen met who, which, that of whose.
Reported speech (indirecte rede)
Met reported speech (indirecte rede) geef je weer wat iemand zei zonder de woorden letterlijk te citeren: He said that he was tired. De tijden schuiven daarbij een stap terug in het verleden (backshift).
Some of any
Some en any betekenen allebei wat, wat van of enkele, maar je gebruikt ze verschillend: some in bevestigende zinnen en beleefde aanbiedingen, any in vragen en ontkenningen.
Then of than
Then en than schelen maar één letter, maar hebben verschillende functies: then betekent dan, daarna of toen en gaat over tijd of volgorde; than gebruik je bij vergelijkingen, zoals bigger than.
To, too of two
To, too en two klinken hetzelfde maar betekenen iets anders: to is naar of hoort bij een werkwoord, too betekent ook of te, en two is het getal twee.
Their, there of they're
Their, there en they're klinken hetzelfde maar betekenen iets anders: their is hun (bezit), there is daar of er, en they're is de samentrekking van they are.
Where, were of wear
Where, were en wear klinken bijna hetzelfde maar verschillen in betekenis: where is waar (plaats), were is de verleden tijd van are, en wear betekent dragen van kleding. Daarnaast is we're de samentrekking van we are.