Nederlands begrippen
Aanwijzend voornaamwoord
Een aanwijzend voornaamwoord wijst een persoon of zaak aan: deze, die, dit en dat. Deze en dit gebruik je voor iets dichtbij, die en dat voor iets verder weg.
Als of dan
Bij vergelijkingen gebruik je dan na een vergrotende trap (groter dan) en na ander of anders; als gebruik je bij gelijkheid (even groot als, net zo snel als).
Apostrof en bezits-s
De bezits-s geeft aan van wie iets is: Peters fiets, Anna's tas. Meestal schrijf je de s vast aan de naam; na een lange klinker aan het eind komt er een apostrof ('s) en na een s-klank alleen een apostrof.
Betrekkelijk voornaamwoord
Een betrekkelijk voornaamwoord leidt een bijzin in en slaat terug op een woord eerder in de zin (het antecedent): de man die daar loopt, het boek dat ik lees. De keuze tussen die en dat hangt af van het antecedent.
Bezittelijk voornaamwoord
Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons of onze, jullie, hun en uw. Het staat bijna altijd vóór een zelfstandig naamwoord: jouw fiets, ons huis.
Bijvoeglijke bepaling
Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord en hoort bij dat woord binnen hetzelfde zinsdeel: de rode fiets, het huis op de hoek. Anders dan de bijwoordelijke bepaling is het dus geen eigen zinsdeel.
Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling is het zinsdeel dat vertelt waar, wanneer, hoe of waarom iets gebeurt: Gisteren fietste ik snel naar school. Een zin kan meerdere bijwoordelijke bepalingen hebben en je kunt ze vaak weglaten zonder dat de zin fout wordt.
D of t (werkwoordspelling)
Of een werkwoord op d, t of dt eindigt, hangt af van de tijd en het onderwerp. In de tegenwoordige tijd geldt: ik-vorm is de stam, bij jij, hij, zij en het komt er een t achter de stam, ook als de stam al op een d eindigt (hij wordt).
Feit en mening
Een feit is controleerbaar en voor iedereen gelijk: Nederland heeft twaalf provincies. Een mening is een persoonlijk oordeel dat je niet kunt bewijzen: Friesland is de mooiste provincie.
Gebiedende wijs
De gebiedende wijs gebruik je voor een bevel, verzoek of advies: Loop door! Kom hier! Je gebruikt de stam van het werkwoord en de zin heeft meestal geen onderwerp.
Getallen uitschrijven
In lopende tekst schrijf je getallen tot en met twintig, de tientallen tot honderd en ronde getallen als honderd en duizend voluit; exacte waarden, data, bedragen en percentages zet je in cijfers.
Het alfabet
Het Nederlandse alfabet telt 26 letters, van a tot en met z. Vijf daarvan zijn klinkers (a, e, i, o, u); de overige 21 zijn medeklinkers, al doet de y soms dienst als klinker.
Het kofschip
Het kofschip is de ezelsbrug voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden. Zit de laatste klank van het werkwoord zonder -en in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan schrijf je -te en -t; anders -de en -d.
Hoofdgedachte van een tekst
De hoofdgedachte is de belangrijkste boodschap van een tekst in één zin: wat wil de schrijver over het onderwerp zeggen? Het onderwerp is waarover de tekst gaat; de hoofdgedachte is wat de tekst daarover beweert.
Hoofdzin en bijzin
Een hoofdzin kan zelfstandig bestaan en heeft de persoonsvorm meestal vooraan of op de tweede plek; een bijzin hoort bij een andere zin en heeft de persoonsvorm achteraan. Samen vormen ze een samengestelde zin.
Infinitief (heel werkwoord)
De infinitief is het hele werkwoord, de vorm die je in het woordenboek vindt en die meestal op -en eindigt: lopen, werken, zijn. In een zin staat de infinitief vaak achteraan, na een ander werkwoord of na te.
Jou of jouw
Jou zonder w is de voorwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord (Ik bel jou); jouw met w is het bezittelijk voornaamwoord en heeft een zelfstandig naamwoord achter zich (jouw fiets).
Klinkers en medeklinkers
Klinkers zijn de letters a, e, i, o en u; alle andere letters zijn medeklinkers. Naast losse klinkers kent het Nederlands tweeklanken (ei, ij, ui, au, ou) en tweetekenklanken zoals oe, eu en ie.
Kommaregels
Een komma zet je onder andere tussen twee persoonsvormen, tussen de delen van een opsomming en rond aansprekingen en uitbreidingen. De belangrijkste vuistregel: waar je een korte pauze hoort, past vaak een komma.
Koppelteken
Een koppelteken (-) verbindt delen van een woord. Je gebruikt het onder andere bij klinkerbotsing in samenstellingen (auto-ongeluk), bij gelijkwaardige delen (rood-wit) en bij samenstellingen met letters, cijfers of afkortingen (tv-programma).
Lijdende en bedrijvende vorm
In de bedrijvende vorm doet het onderwerp iets: De hond bijt de man. In de lijdende vorm ondergaat het onderwerp de handeling: De man wordt gebeten door de hond. De lijdende vorm maak je met worden of zijn plus een voltooid deelwoord.
Literatuur en lectuur
Literatuur is fictie met erkende literaire kwaliteit: gelaagde verhalen met een diepere betekenis, vaak besproken door critici. Lectuur is leeswerk voor ontspanning, zoals thrillers en romannetjes, met een voorspelbaarder opbouw.
Objectief en subjectief
Objectief betekent gebaseerd op feiten en voor iedereen controleerbaar; subjectief betekent gekleurd door een mening of gevoel. Een objectieve tekst informeert neutraal, een subjectieve tekst geeft een oordeel.
Onbepaald voornaamwoord
Een onbepaald voornaamwoord verwijst naar personen of zaken zonder precies te zeggen wie of wat: iets, niets, iedereen, niemand, alles, men, sommige.
Onvoltooid deelwoord
Het onvoltooid deelwoord (ook wel tegenwoordig deelwoord) is de werkwoordsvorm op -end of -end(e) die aangeeft dat iets nog bezig is: lachend, zingend, spelende kinderen. Je maakt het van de infinitief plus -d.
Opsomming
Een opsomming is een reeks woorden, zinsdelen of zinnen die bij elkaar horen: appels, peren en bananen. In een tekst herken je een opsommend verband aan signaalwoorden als en, ook, ten eerste en bovendien.
Persoonlijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon of zaak zonder die te noemen: ik, jij, hij, zij, wij, jullie. Er is een onderwerpsvorm (ik, hij, wij) en een voorwerpsvorm (mij, hem, ons).
Puntkomma
Een puntkomma (;) staat tussen twee zinnen die sterk met elkaar samenhangen en scheidt lange delen van een opsomming. De puntkomma is sterker dan een komma, maar zwakker dan een punt.
Samenstellingen
Een samenstelling is één woord dat uit twee of meer zelfstandige woorden bestaat: voetbal (voet + bal), schooltas (school + tas). Samenstellingen schrijf je in het Nederlands aan elkaar.
Signaalwoorden
Signaalwoorden geven aan welk verband er tussen zinnen of alinea's bestaat, zoals want (reden), maar (tegenstelling) en daarna (tijd). Ze helpen je bij leestoetsen om de opbouw van een tekst snel te doorzien.
Stam van een werkwoord
De stam is de basisvorm van een werkwoord, gelijk aan de ik-vorm: loop, werk, vind. Je maakt de stam door -en van het hele werkwoord af te halen en de spelling aan te passen.
Sterke en zwakke werkwoorden
Zwakke werkwoorden zijn regelmatig: hun verleden tijd eindigt op -de of -te (werkte, speelde). Sterke werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd: lopen wordt liep, gelopen.
Stijlfiguren
Stijlfiguren zijn opvallende manieren om iets te formuleren, zoals de vergelijking, de hyperbool en het eufemisme. Schrijvers gebruiken ze om een tekst krachtiger, mooier of grappiger te maken.
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord geeft aan van welk materiaal iets gemaakt is en eindigt altijd op -en: een houten tafel, een gouden ring, een wollen trui. De vorm verandert nooit.
Synoniemen en antoniemen
Een synoniem is een woord met (bijna) dezelfde betekenis als een ander woord: blij en vrolijk. Een antoniem is juist het tegenovergestelde: blij en verdrietig.
Tekstverbanden
Tekstverbanden zijn de logische relaties tussen zinnen en alinea's, zoals een opsommend, tegenstellend of oorzaak-gevolg verband. Je herkent ze aan signaalwoorden.
Telwoorden
Telwoorden geven een aantal of een plaats in een volgorde aan. Hoofdtelwoorden noemen een aantal (drie, twintig), rangtelwoorden een plaats in de rij (derde, twintigste). Beide soorten kunnen bepaald of onbepaald zijn.
Verwijswoorden
Verwijswoorden verwijzen naar iets dat eerder of later in de tekst staat, zoals hij, die, dat, daar en er. Ze voorkomen herhaling en houden een tekst leesbaar, mits duidelijk is waarnaar ze verwijzen.
Voegwoorden
Voegwoorden verbinden woorden, zinsdelen of zinnen met elkaar. Nevenschikkende voegwoorden (en, maar, of, want, dus) verbinden gelijkwaardige delen; onderschikkende voegwoorden (omdat, dat, als, hoewel) leiden een bijzin in.
Vragend voornaamwoord
Een vragend voornaamwoord vraagt naar een persoon of zaak: wie, wat, welke en wat voor (een). Het staat meestal vooraan in een vraagzin.
Wederkerend voornaamwoord
Een wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp van de zin: me, je, zich, ons. Het hoort bij wederkerende werkwoorden zoals zich vergissen en zich schamen.
Woordsoorten
Woordsoorten zijn de categorieën waarin je woorden indeelt bij het taalkundig ontleden. Het Nederlands kent er tien, waaronder het zelfstandig naamwoord, het werkwoord, het lidwoord en het voornaamwoord.
Zinsdelen en de zinsdeelproef
Zinsdelen zijn de bouwstenen van een zin, zoals het onderwerp, de persoonsvorm en het lijdend voorwerp. Met de zinsdeelproef controleer je of een groep woorden samen één zinsdeel vormt: zet de groep vooraan in de zin en kijk of de zin correct blijft.