Het demografisch transitiemodel: de vijf fasen uitgelegd
Op deze pagina leer je het demografisch transitiemodel fase voor fase. Je leert wat het geboortecijfer en het sterftecijfer zijn, hoe je de natuurlijke bevolkingsgroei berekent, welke fase bij welke bevolkingspiramide hoort en wat vergrijzing en ontgroening betekenen. Ook leer je waar de kritiek op het model zit en waarom niet elk land dezelfde route volgt.
Inhoudsopgave
Samenvatting
Het demografisch transitiemodel beschrijft hoe de bevolkingsgroei van een land verandert als het zich ontwikkelt. In fase 1 zijn zowel het geboortecijfer als het sterftecijfer hoog en groeit de bevolking nauwelijks. In fase 2 daalt het sterftecijfer door betere gezondheidszorg terwijl het geboortecijfer nog hoog blijft, en dat geeft de sterkste groei. In fase 3 daalt ook het geboortecijfer. In fase 4 zijn beide laag en is de groei bijna nul. In fase 5 komt het geboortecijfer onder het sterftecijfer en krimpt de bevolking. De natuurlijke bevolkingsgroei is altijd het geboortecijfer min het sterftecijfer.
De begrippen die je nodig hebt
Het model werkt met een paar demografische cijfers. Die worden bijna altijd uitgedrukt per duizend inwoners per jaar, en dat is belangrijk voor het rekenen.
| Begrip | Wat het betekent | Eenheid |
| Geboortecijfer | aantal geboorten per jaar | per 1.000 inwoners |
| Sterftecijfer | aantal sterfgevallen per jaar | per 1.000 inwoners |
| Natuurlijke bevolkingsgroei | geboortecijfer min sterftecijfer | per 1.000 inwoners of in procenten |
| Sociale bevolkingsgroei | immigratie min emigratie, dus het migratiesaldo | per 1.000 inwoners |
| Totale bevolkingsgroei | natuurlijke groei plus sociale groei | per 1.000 inwoners of in procenten |
| Vruchtbaarheidscijfer | gemiddeld aantal kinderen per vrouw | aantal kinderen |
| Levensverwachting | gemiddeld aantal jaren dat iemand bij geboorte kan verwachten te leven | jaren |
Het onderscheid tussen natuurlijke en sociale bevolkingsgroei is een vaste toetsvraag. Natuurlijke groei gaat over geboorte en sterfte, sociale groei over migratie. Nederland heeft momenteel een natuurlijke groei die richting nul gaat en een positieve sociale groei; de totale bevolking groeit dus vooral door migratie.
Om van per duizend naar procenten te gaan, deel je door tien. Een natuurlijke groei van 12 per duizend is dus 1,2 procent per jaar. Voor de relatieve bevolkingsgroei gebruik je altijd een percentage of een getal per duizend, terwijl de absolute groei het werkelijke aantal mensen is. Een land met veel inwoners kan bij een laag percentage in absolute zin toch enorm groeien.
De formule voor natuurlijke bevolkingsgroei
natuurlijke bevolkingsgroei = geboortecijfer min sterftecijfer
Is het geboortecijfer 28 en het sterftecijfer 9, dan is de natuurlijke groei 19 per duizend, dus 1,9 procent per jaar. Is het geboortecijfer lager dan het sterftecijfer, dan is de natuurlijke groei negatief en krimpt de bevolking.
Het model in beeld
Het demografisch transitiemodel zet het geboortecijfer en het sterftecijfer als twee lijnen in een grafiek. Het verschil tussen die lijnen is de natuurlijke bevolkingsgroei: hoe verder ze uit elkaar liggen, hoe sneller de bevolking groeit.

Bij de afbeelding: de vijf fasen staan genummerd van 1 tot 5. De verticale as geeft het geboortecijfer en het sterftecijfer per duizend inwoners per jaar. De groene strook onderaan laat zien hoe de omvang van de bevolking zich in diezelfde periode ontwikkelt.
Dat is de sleutel tot het lezen van het model. Niet de hoogte van de lijnen bepaalt de groei, maar de afstand tussen de lijnen. In fase 1 liggen beide lijnen hoog maar dicht bij elkaar, dus is de groei klein. In fase 2 liggen ze het verst uit elkaar en is de groei het grootst, ook al is het geboortecijfer niet gestegen.

Fase 1: hoge geboorte en hoge sterfte
| Kenmerk | Waarde of beschrijving |
| Geboortecijfer | hoog, ongeveer 35 tot 45 per duizend |
| Sterftecijfer | hoog, ongeveer 30 tot 40 per duizend |
| Natuurlijke groei | vrijwel nul, en sterk wisselend per jaar |
| Levensverwachting | laag, ongeveer 30 tot 40 jaar |
| Waar | nergens meer op landniveau; historisch Europa voor 1750 |
In fase 1 worden er veel kinderen geboren, maar sterven er ook veel mensen, vooral kinderen. De redenen: gebrekkige hygiëne, geen medische zorg, epidemieën, hongersnoden en oorlogen. Omdat de kindersterfte hoog is, hebben gezinnen veel kinderen nodig om zeker te zijn dat er een paar de volwassenheid halen.
Van jaar tot jaar schommelt het sterftecijfer sterk: een misoogst of een epidemie kan het in een keer verdubbelen. Daardoor groeit de bevolking over lange perioden nauwelijks. Geen enkel land verkeert nu nog als geheel in deze fase.
Fase 2: sterftecijfer daalt, geboortecijfer blijft hoog
| Kenmerk | Waarde of beschrijving |
| Geboortecijfer | nog steeds hoog, 35 tot 45 per duizend |
| Sterftecijfer | daalt snel, naar 10 tot 20 per duizend |
| Natuurlijke groei | zeer hoog, tot 3 procent per jaar |
| Levensverwachting | stijgt naar 50 tot 60 jaar |
| Waar | Niger, Mali, Tsjaad, delen van Afghanistan |
Het sterftecijfer daalt door drie dingen: schoon drinkwater en riolering, vaccinaties en medische zorg, en een betere en stabielere voedselvoorziening. De volgorde is belangrijk: het is vooral de hygiëne die het verschil maakt, niet de moderne geneeskunde, want de grote daling in Europa begon voordat er antibiotica bestonden.
Het geboortecijfer daalt niet mee, en dat is de kern van fase 2. Redenen: gezinnen blijven uit gewoonte en cultuur veel kinderen krijgen, kinderen zijn arbeidskracht en oudedagsvoorziening, en het duurt een generatie voordat mensen erop vertrouwen dat hun kinderen in leven blijven. In deze periode groeit de bevolking daarom explosief.
Dit is de fase van de zogeheten bevolkingsexplosie. Europa doorliep hem in de negentiende eeuw, veel Afrikaanse landen zitten er nu in. Het verschil is de snelheid: waar de daling van de sterfte in Europa een eeuw duurde, gebeurde die in ontwikkelingslanden in enkele decennia, waardoor de groei nog heftiger uitpakt.
Fase 3: geboortecijfer daalt
| Kenmerk | Waarde of beschrijving |
| Geboortecijfer | daalt naar 15 tot 25 per duizend |
| Sterftecijfer | laag en stabiel, rond 8 tot 12 per duizend |
| Natuurlijke groei | nog positief maar afnemend |
| Levensverwachting | stijgt naar 65 tot 75 jaar |
| Waar | India, Brazilië, Mexico, Indonesië |
Nu daalt ook het geboortecijfer, en dat komt door een combinatie van factoren die op examens vaak apart uitgevraagd worden.
| Oorzaak | Uitleg |
| Onderwijs voor meisjes | Vrouwen die langer naar school gaan krijgen later en minder kinderen. Dit is de sterkste factor. |
| Arbeidsparticipatie van vrouwen | Werk buitenshuis maakt een groot gezin moeilijker te combineren. |
| Beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen | Gezinsplanning wordt een keuze in plaats van een uitkomst. |
| Verstedelijking | In een stad is een groot gezin duurder en levert een kind geen arbeidskracht op. |
| Lagere kindersterfte | Ouders hoeven geen reservekinderen meer te nemen. |
| Sociale voorzieningen | Als er pensioen en zorg is, zijn kinderen niet meer je oudedagsvoorziening. |
| Hogere kosten per kind | Onderwijs en zorg per kind kosten meer, dus kiezen ouders voor minder kinderen. |
Let op dat de groei in fase 3 nog steeds positief is en dat de bevolking dus blijft toenemen, ook al daalt het geboortecijfer. Dat komt mede door de bevolkingsmomentum: door de grote geboortecohorten uit fase 2 zijn er nu heel veel vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Zelfs bij twee kinderen per vrouw groeit de bevolking daardoor nog decennia door.
Fase 4: beide cijfers laag
| Kenmerk | Waarde of beschrijving |
| Geboortecijfer | laag, 9 tot 14 per duizend |
| Sterftecijfer | laag, 8 tot 11 per duizend |
| Natuurlijke groei | vrijwel nul |
| Levensverwachting | hoog, boven 75 jaar |
| Waar | Verenigde Staten, Frankrijk, Australië, China |
In fase 4 is de bevolking stabiel. Het vruchtbaarheidscijfer ligt rond de 2,1 kinderen per vrouw, en dat getal is niet willekeurig: dat is precies genoeg om de bevolking op peil te houden. Twee kinderen vervangen de ouders en de 0,1 is een marge voor kinderen die de vruchtbare leeftijd niet halen. Dat heet het vervangingsniveau.
Een land in fase 4 heeft een bevolkingspiramide die geen piramide meer is: de onderste balken zijn niet breder dan de middelste, wat een klokvorm oplevert.
Fase 5: krimp
| Kenmerk | Waarde of beschrijving |
| Geboortecijfer | zeer laag, 7 tot 9 per duizend |
| Sterftecijfer | stijgt weer, 10 tot 13 per duizend, door de oudere bevolking |
| Natuurlijke groei | negatief, de bevolking krimpt |
| Levensverwachting | zeer hoog, boven 80 jaar |
| Waar | Japan, Italië, Duitsland, Zuid-Korea, Bulgarije |
Fase 5 was in het oorspronkelijke model niet voorzien. Die is later toegevoegd toen bleek dat in een aantal landen het geboortecijfer onder het sterftecijfer zakte. Zuid-Korea heeft inmiddels een vruchtbaarheidscijfer onder 0,8 kinderen per vrouw, het laagste ter wereld.
Opvallend: het sterftecijfer stijgt in fase 5 weer, en dat betekent niet dat de gezondheidszorg slechter wordt. Het komt doordat de bevolking gemiddeld veel ouder is en er dus per duizend inwoners meer mensen overlijden, terwijl de levensverwachting juist het hoogst is. Dat is een klassiek examenvalkuiltje.
Een land in fase 5 kan zijn totale bevolking nog op peil houden met immigratie, dus met sociale bevolkingsgroei. Duitsland is daarvan het duidelijkste voorbeeld: de natuurlijke groei is negatief, maar de bevolking is de afgelopen decennia toch gegroeid.
Bevolkingspiramides per fase
Bij elke fase hoort een kenmerkende vorm van de bevolkingspiramide, en op examens moet je een piramide aan een fase kunnen koppelen.

| Fase | Vorm | Waaraan je het ziet |
| 1 | brede piramide met een zeer smalle top | veel kinderen, weinig ouderen, elke balk duidelijk smaller dan de vorige |
| 2 | brede piramide met een iets bredere basis dan fase 1 | zeer brede onderste balken, de piramide loopt scherp toe |
| 3 | piramide met een basis die niet meer breder wordt | de onderste balken zijn ongeveer even breed, de zijkanten worden rechter |
| 4 | klokvorm | onder- en middenbalken ongeveer gelijk, een duidelijke top |
| 5 | urnvorm | de basis is smaller dan het midden, de top is breed |
Vergrijzing en ontgroening
| Begrip | Wat het is | Oorzaak |
| Vergrijzing | het aandeel ouderen in de bevolking neemt toe | hogere levensverwachting, en de grote naoorlogse geboortecohorten die de pensioenleeftijd bereiken |
| Ontgroening | het aandeel jongeren in de bevolking neemt af | een lager geboortecijfer, dus minder kinderen |
Deze twee gaan vaak samen maar zijn niet hetzelfde. Vergrijzing gaat over de bovenkant van de piramide, ontgroening over de onderkant. Samen zorgen ze ervoor dat de grijze druk toeneemt: het aantal 65-plussers per honderd mensen in de werkzame leeftijd.
De gevolgen zijn een vast examenonderwerp. Er zijn minder werkenden per gepensioneerde, waardoor pensioenen en zorg onder druk komen. Tegelijk stijgt de vraag naar zorg en daalt de vraag naar scholen en kinderopvang. In krimpgebieden zoals delen van Limburg, Groningen en Zeeland leidt dat tot sluitende voorzieningen, leegstand en dalende woningwaarde, terwijl de druk in de Randstad juist toeneemt.
Kritiek op het model
Het transitiemodel is gemaakt op basis van de geschiedenis van West-Europa, en dat is meteen de belangrijkste beperking. Bij een examenvraag naar de waarde van het model levert het punten op als je zowel de sterke punten als de kritiek benoemt.
| Kritiek | Uitleg |
| Het is een beschrijving, geen voorspelling | Het model beschrijft wat in Europa gebeurde. Er is geen natuurwet die zegt dat elk land dezelfde route volgt. |
| Migratie zit er niet in | Het model kijkt alleen naar geboorte en sterfte. In veel landen bepaalt migratie de bevolkingsontwikkeling minstens zo sterk. |
| De snelheid verschilt sterk | In Europa duurde de transitie bijna twee eeuwen, in Zuid-Korea en Iran een paar decennia. Dat maakt de gevolgen heel anders. |
| Fase 5 zat er niet in | Krimp was niet voorzien en is later toegevoegd, wat aangeeft dat het model wordt bijgesteld op basis van de werkelijkheid. |
| Verschillen binnen een land worden gemist | Een land kan op landniveau in fase 3 zitten terwijl de hoofdstad in fase 4 en het platteland in fase 2 zit. |
| Beleid kan de route veranderen | De eenkindpolitiek in China en gezinsplanningsprogramma's in India versnelden de daling van het geboortecijfer los van de economische ontwikkeling. |
Ondanks die kritiek blijft het model bruikbaar, en dat is het antwoord dat op een examen wordt verwacht. Het geeft een kader om landen te vergelijken, het verklaart waarom een bevolkingsexplosie een tijdelijk fenomeen is, en het maakt duidelijk dat vergrijzing geen toevallig probleem is maar een voorspelbaar gevolg van ontwikkeling.

Veelgestelde vragen
Wat is het demografisch transitiemodel?
Het demografisch transitiemodel beschrijft in vijf fasen hoe het geboortecijfer, het sterftecijfer en daarmee de bevolkingsgroei van een land veranderen tijdens de ontwikkeling: van hoge geboorte en hoge sterfte, via een periode van sterke groei, naar lage geboorte en lage sterfte en uiteindelijk krimp.
Hoe bereken je de natuurlijke bevolkingsgroei?
Je trekt het sterftecijfer van het geboortecijfer af. Is het geboortecijfer 28 per duizend en het sterftecijfer 9 per duizend, dan is de natuurlijke bevolkingsgroei 19 per duizend, dus 1,9 procent per jaar. Migratie hoort hier niet bij: dat is de sociale bevolkingsgroei.
In welke fase groeit de bevolking het snelst?
In fase 2. Het sterftecijfer daalt daar snel door betere hygiëne, drinkwater en medische zorg, terwijl het geboortecijfer nog hoog blijft. De twee lijnen liggen daardoor het verst uit elkaar en de groei kan oplopen tot ongeveer 3 procent per jaar.
Wat is het verschil tussen vergrijzing en ontgroening?
Vergrijzing betekent dat het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt, door een hogere levensverwachting en grote oudere geboortecohorten. Ontgroening betekent dat het aandeel jongeren afneemt, doordat er minder kinderen worden geboren. Vergrijzing gaat over de bovenkant van de bevolkingspiramide, ontgroening over de onderkant.
Waarom stijgt het sterftecijfer weer in fase 5?
Niet omdat de gezondheidszorg slechter wordt, maar omdat de bevolking gemiddeld veel ouder is. Per duizend inwoners overlijden er dan meer mensen, terwijl de levensverwachting juist het hoogst is van alle fasen.
Wat is de belangrijkste kritiek op het demografisch transitiemodel?
Dat het een beschrijving is van de Europese geschiedenis en geen voorspelling: er is geen wet die zegt dat elk land dezelfde route in hetzelfde tempo aflegt. Daarnaast zit migratie niet in het model, verliep de transitie in veel landen veel sneller dan in Europa, en kan beleid de route veranderen zoals bij de Chinese eenkindpolitiek.
Deel deze pagina met je vrienden
Dit zeggen leerlingen en ouders
Toetsmij: de steun in de rug die elk kind verdient
Als ouder wil je maar één ding: dat je kinderen gezien worden, uitgedaagd worden en het vertrouwen krijgen dat ze méér kunnen dan ze zelf soms denken. Voor ons is Toetsmij daarin een gamechanger geweest.
Onze oudste dochter begon ooit op mavo-kader. Een lieve, slimme meid, maar soms onzeker en zoekend naar structuur. Dankzij de toetsen van Toetsmij.....helder, betrouwbaar, precies op niveau en altijd met ruimte om te groeien kreeg ze stap voor stap het vertrouwen dat ze het wél kon.
En hoe.
Ze stroomde door naar de havo, haalde haar diploma en volgt nu op eigen kracht de lerarenopleiding. Dat is niet alleen haar verdienste, maar ook het resultaat van materialen die haar serieus namen en haar lieten zien waar ze stond en waar ze naartoe kon.
Ook onze jongste dochter profiteert nu van Toetsmij. Ze doet op school al een aantal vakken op hoger niveau, en juist daar is Toetsmij een uitkomst. De toetsen sluiten perfect aan, dagen uit zonder te overweldigen en geven precies de feedback die ze nodig heeft om verder te groeien.
Het voelt alsof er iemand meedenkt, iemand die begrijpt dat elk kind anders leert en dat kwaliteit het verschil maakt.
Wat Toetsmij voor ons bijzonder maakt:
- Super betrouwbaar, e weet dat de toetsen kloppen, aansluiten en eerlijk meten.
- Meedenkend, het voelt alsof er altijd iemand achter de schermen staat die begrijpt wat leerlingen nodig hebben.
- Topkwaliteit geen rommel, geen gokwerk, maar echt professioneel materiaal waar scholen jaloers op zouden zijn.
Voor ons is Toetsmij niet zomaar een hulpmiddel. Het is een partner in de ontwikkeling van onze kinderen. Een stille kracht die hen helpt groeien, bloeien en boven zichzelf uitstijgen.
En als trotse ouder kan ik maar één ding zeggen:
Dankjewel, Toetsmij. Jullie maken écht het verschil.
Hele fijne en goede ondersteuning bij…
Hele fijne en goede ondersteuning bij de voorbereiding van de middelbare school toetsen. Havo/vwo brugjaren gebruik gemaakt van Toetsmij. Realistische toetsen. Vraag en antwoorden zijn top. Cijfers zijn omhoog gegaan maar ook het begrip van de stof en hoe een toets is opgebouwd. Goede snelle communicatie met de organisatie. Kortom een aanrader!!!
Eindelijk goede punten!
Mijn dochter heeft vorig jaar haar examen vmbo-GT niet gehaald! Dit jaar was dus extra stress! We zijn gewend en zo liep het nu ook weer dat ze het net op het randje vaak net red. Maarja we wilden geen herhaling van vorig jaar! In de laatste maanden hebben we toen toch gekozen voor toetsmij. Sceptisch maar toch wel te proberen. En nu is ze gewoon geslaagd met hoge punten!!!!!
Ik denk dat dat o.a komt omdat ze geen lezer is en daardoor niets bijblijft. Toetsmij is doen. Ik zeg aanrader!!!!
Zoek in meer dan 10.000 toetsen
Echte toetsvragen, precies aansluitend op jouw lesmethode en leerjaar. Voor alle klassen en alle niveaus