Bezittelijke voornaamwoorden Frans (Pronoms): Uitleg en voorbeelden
Bezittelijke voornaamwoorden gebruik je in het Frans om aan te geven van wie iets is. Daarnaast zijn er in het Frans ook nog andere voornaamwoorden. We leggen het je in dit artikel uit en geven je handige voorbeelden om mee te oefenen.
Wat zijn de bezittelijke voornaamwoorden in het Frans?
In het Frans gebruik je een bezittelijk voornaamwoord (pronom possessifs) om aan te geven dat iets van iemand is. Het gaat dus om het aangeven van een eigendom of bezit. Hierbij pas je het bezittelijk voornaamwoord aan drie dingen aan:
- Het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
- Het aantal (enkelvoud/meervoud).
- De persoon (ik, jij, hij/zij, wij, jullie, zij).
Bovendien zijn er in het Frans twee verschillende soorten bezittelijke voornaamwoorden.
| Pronoms possessifs | Adjectifs possessifs |
| Dit zijn zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden. Ze staan op zichzelf en vervangen het zelfstandig naamwoord. | Dit zijn bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden. Ze staan voor het zelfstandig naamwoord waar ze naar verwijzen. |
| Voorbeeld: Dat boek is het mijne. → Ce livre est le mien. | Voorbeeld: Dat is mijn boek. → C’est mon livre. |
Hoe gebruik je bezittelijke voornaamwoorden in het Frans?
Bij het gebruik van bezittelijke voornaamwoorden in het Frans moet je goed naar het geslacht, het aantal en de persoon in de zin kijken. Alleen dan gebruik je de bezittelijke voornaamwoorden goed.
Bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden (Adjectifs possessifs):
Bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden (adjectifs possessifs) komen voor een zelfstandig naamwoord. Je kijkt naar de persoon, het geslacht van het zelfstandig naamwoord en of het zelfstandig naamwoord enkelvoud of meervoud is.
| Persoon | Mannelijk enkelvoud | Vrouwelijk enkelvoud | Meervoud |
| Ik → Je | Mon | Ma | Mes |
| Jij → Tu | Ton | Ta | Tes |
| Hij/zij → Il/elle | Son | Sa | Ses |
| Wij → Nous | Notre | Notre | Nos |
| Jullie/U → Vous | Votre | Votre | Vos |
| Zij → Ils/Elles | Leur | Leur | Leurs |
Een paar voorbeelden van de adjectifs possessifs
- Voici ta chaise. → Hier is jouw stoel.
- Ils aiment leurs amis. → Zij houden van hun vrienden.
- C’est ma pomme. → Dat is mijn appel.
De enige uitzondering op deze regels is bij een vrouwelijk enkelvoud voor een klinker. Om te zorgen dat het makkelijker uit te spreken is, gebruik je mon, ton en son in plaats van ma, ta en sa.
Bijvoorbeeld: C’est mon amie.
Zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden (Pronoms possessifs):
Een zelfstandig bezittelijk voornaamwoord (pronoms possessifs) vervangt het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst. Het staat op zichzelf, maar past zich qua vorm wel aan de persoon, het geslacht van het zelfstandig naamwoord en het aantal aan.
| Persoon | Mannelijke enkelvoud | Vrouwelijk enkelvoud | Meervoud |
| Ik → Je | Le mien | La mienne | Les miens/les miennes |
| Jij → Tu | Le tien | La tienne | Les tiens/les tiennes |
| Hij/zij → Il/elle | Le sien | La sienne | Les siens/les siennes |
| Wij → Nous | Le nôtre | La nôtre | Les nôtres |
| Jullie/U → Vous | Le vôtre | La vôtre | Les vôtres |
| Zij → Ils/Elles | Le leur | La leur | Les leurs |
Een paar voorbeelden van de pronoms possessifs
- Ce livre est le tien. → Het boek is de jouwe.
- Ces chaises sont les siennes. → Deze stoelen zijn die van hem.
- La maison est la leur. → Het huis is dat van hen.
Andere voornaamwoorden in het Frans
Naast bezittelijke voornaamwoorden zijn er in het Frans nog veel meer soorten voornaamwoorden. We bespreken ze hier kort.
| Soort voornaamwoord | Functie | Hoe vorm je dit voornaamwoord? | Voorbeeld |
| Pronom démonstratif → Aanwijzend voornaamwoord | Iets aanwijzen of laten zien welk ding of persoon er bedoeld wordt. In het Nederlands gebruiken we die of deze. | M. enk. → celui V. enk. → celle M. mv. → ceux V. mv. → celles | Regarde celle-là! → Kijk naar die daar! |
| Pronom relatif → Betrekkelijk voornaamwoord | Een bijzin met een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord verbinden. | Die/dat (onderwerp) → Qui Die/dat (lijdend voorwerp) → Que Waar/waarin/waarop → Où
| Le garçon qui parle est mon frère. → De jongen die spreekt is mijn broer. |
| Pronom relatif composé → Samengesteld betrekkelijk voornaamwoord | Wordt gebruikt als er een voorzetsel voor een betrekkelijk voornaamwoord staat. | Bijvoorbeeld: Aan wie → à qui Met wie/welke → avec lequel/laquelle | La ville dans laquelle je vis est grande. → De stad waarin ik leef is groot. |
| Pronom indéfini → Onbepaald voornaamwoord | Verwijst in algemene zin naar iets of iemand. | Bijvoorbeeld: Iemand → Quelqu’un Iets → Quelque chose Niemand → Personne Alles → Tout | Je cherche quelqu’un pour m’aider. → Ik zoek iemand om me te helpen. |
Oefenen met meer voorbeelden
Om de bezittelijke voornaamwoorden goed onder de knie te krijgen, is het belangrijk dat je er veel mee oefent. We geven je een paar voorbeeldzinnen om mee te oefenen.
- Elle a perdu [haar] clés.
- Cette voiture est [de mijne].
- C’est [mijn] stylo.
Antwoorden
- Elle a perdu ses clés.
- Cette voiture est la mienne.
- C’est mon stylo.
Wil je nog meer oefenen met de bezittelijke voornaamwoorden of wil je met de andere typen voornaamwoorden oefenen? Dan zijn de oefentoetsen op Toets-mij.nl ideaal. Daar kun je met alle verschillende soorten voornaamwoorden door elkaar oefenen en krijg je duidelijke voorbeelden en extra uitleg. Zo beheers jij ze voor je volgende toets helemaal.