Licht en kleur: Uitleg & Oefenen
Licht is overal om ons heen en maakt het mogelijk dat we de wereld kunnen zien. Maar waar komt dat licht eigenlijk vandaan en hoe bepalen lichtgolven de kleuren die we waarnemen? In dit artikel leer je het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen. Daarnaast duiken we in het kleurenspectrum om te begrijpen waarom een appel rood is en een plant groen. Tot slot ontdek je hoe lichtstralen zich voortbewegen, hoe schaduwen ontstaan en wat het verschil is tussen spiegelende en diffuse reflectie.
Verschillende Soorten Lichtbronnen
Lichtbronnen zijn overal om ons heen, van de zon tot gloeilampen. Ze kunnen natuurlijk of kunstmatig zijn en hebben elk hun eigen kenmerken.
Natuurlijke lichtbronnen zijn bronnen die zonder menselijke invloed licht produceren, zoals:
- de zon
- sterren
- vuur
- bliksem
De zon en sterren produceren licht door kernfusie: waterstof wordt omgezet in helium, waarbij veel energie vrijkomt in de vorm van licht en warmte.
Kunstmatige lichtbronnen zijn door mensen gemaakte lichtbronnen, zoals:
- Gloeilampen → een draad wordt verhit totdat deze licht uitstraalt
- LED-lampen → licht ontstaat door elektronen die door een halfgeleider bewegen
- Fluorescerende lampen → elektriciteit wekt UV-licht op dat wordt omgezet in zichtbaar licht
Niet alle voorwerpen zijn lichtbronnen. Voorwerpen die zelf geen licht uitzenden, maar licht weerkaatsen, noemen we reflectoren, zoals:
- de maan
- spiegels
- zand
Oefenopgave
Geef voor de onderstaande situaties aan of het een natuurlijke lichtbron, een kunstmatige lichtbron of een reflector is.
- Je docent gebruikt een laserpen tijdens een presentatie om iets aan te wijzen.
- Het witte zand op het strand licht fel op in de zon.
- Een gloeiworm licht op in het donker.
- Een bliksemschicht verlicht de lucht tijdens een onweersbui.
Uitwerking
- Het licht uit de laser ontstaat door technologie → kunstmatige lichtbron.
- Het witte zand weerkaatst het licht van de zon → reflector.
- De gloeiworm geeft uit zichzelf licht → natuurlijke lichtbron.
- De bliksem ontstaat in de natuur → natuurlijke lichtbron.
Kleurenspectrum en Zichtbaarheid
Het kleurenspectrum is de reeks kleuren die we kunnen zien in het zichtbare licht. Dit loopt van violet (kortste golflengte) tot rood (langste golflengte) en bevat alle kleuren van de regenboog.
Het kleurenspectrum van het zichtbare licht.
Wit licht (zoals zonlicht) bestaat uit alle kleuren samen. Als dit licht door een prisma of regendruppels gaat, wordt het gesplitst → dit veroorzaakt een regenboog.
Objecten hebben een kleur doordat ze sommige lichtgolven absorberen en andere reflecteren:
- Een rode appel absorbeert alle kleuren behalve rood; dat wordt teruggekaatst naar ons oog.
- Een wit voorwerp weerkaatst alle kleuren.
- Een zwart voorwerp absorbeert bijna al het licht.
Oefenopgave
In een klaslokaal staan een groene plant en een blauwe kast.
- Geef aan welke kleur of kleuren de plant absorbeert.
- Geef aan welke kleur of kleuren de kast reflecteert.
- Waarom voelt een zwart t-shirt warmer aan in de zon dan een wit t-shirt?
Uitwerking
- De plant is groen, deze reflecteert groen en absorbeert alle andere kleuren.
- De kast is blauw, het reflecteert blauw en absorbeert alle andere kleuren.
- - Een zwart t-shirt absorbeert bijna al het licht. Hierdoor warmt het op.
- Een wit t-shirt reflecteert het meeste licht. Het warmt dus minder op.
Lichtstralen en Reflectie
Licht beweegt altijd in rechte lijnen, maar kan van richting veranderen door reflectie of breking. Dit verklaart veel verschijnselen die we dagelijks zien, zoals spiegelbeelden en schaduwen.
Lichtstralen
Met lichtstralen kun je de richting van licht weergeven:
- Convergerend licht → stralen komen samen in één punt (bijvoorbeeld door een bolle lens).
- Divergerend licht → stralen gaan uit elkaar (bijvoorbeeld bij een puntbron of holle lens).
Oefenopgave
Wanneer je een vergrootglas in de zon houdt, dan zie je een fel puntje verschijnen.
Werkt een vergrootglas convergerend of divergerend?
Uitwerking
Het licht van de zon wordt door het vergrootglas samengebracht naar één punt.
Het vergrootglas werkt convergerend.
Schaduwen
Schaduwen ontstaan wanneer een voorwerp het licht tegenhoudt. De vorm en grootte van de schaduw hangen af van de lichtbron en de positie van het object.
- Kernschaduw: het donkere deel waar geen licht komt.
- Halfschaduw: het lichtere deel waar het licht slechts gedeeltelijk doordringt.
Bij de kernschaduw komt geen licht. Bij de halfschaduw schijnt een van de lampen nog wel op deze plek. De schaduw is hierdoor minder sterk.
Een kleine lichtbron geeft een scherpe schaduw, terwijl een grote lichtbron zachte, vage schaduwen maakt. Soms hebben schaduwen zelfs een kleur, bijvoorbeeld bij meerdere gekleurde lichtbronnen.
Oefenopgave
Een leerling zet een voorwerp dichter bij een lamp.
- Wat gebeurt er met de grootte van de schaduw?
- Wat gebeurt er met de scherpte van de schaduw?
Uitwerking
- De schaduw wordt groter, want een groter deel van het voorwerp blokkeert het licht van de lamp.
- De schaduw wordt minder scherp, want er is meer halfschaduw.
Soorten reflectie
Reflectie is het terugkaatsen van licht. Er zijn twee soorten reflectie:
- Spiegelende reflectie: licht weerkaatst netjes in één richting, zoals bij een spiegel.
- Diffuse reflectie: licht wordt in veel richtingen verstrooid, zoals bij een muur of papier. Hierdoor zie je jezelf ook niet in een reflectie op de muur. Het licht wordt niet terug gereflecteerd in je oog.
Oefenopgave
Een leerling schijnt met een zaklamp op een metalen lepel en daarna op een bladzijde uit een boek.
- Welke soort reflectie treedt op bij de lepel?
- Welke soort reflectie treedt op bij de bladzijde uit het boek?
Uitwerking
- Een metalen lepel heeft een glad oppervlak, waardoor er spiegelende reflectie optreedt.
- Een bladzijde uit een boek heeft een ruw oppervlak, waardoor het licht in verschillende richtingen wordt verstrooid; dit is diffuse reflectie.
Samenvatting
Lichtbronnen verdelen we in natuurlijke bronnen, kunstmatige bronnen en reflectoren. Wit licht bestaat uit het volledige kleurenspectrum en de kleur van een voorwerp wordt bepaald door welke kleuren het absorbeert en reflecteert. Licht beweegt in rechte lijnen (convergerend of divergerend) en creëert schaduwen (kern- en halfschaduw) wanneer het wordt geblokkeerd. Oppervlakken kunnen licht spiegelend of diffuus (verstrooid) reflecteren.
Oefenen met Licht, Kleur en Beeld
Klik hier om onze oefentoets te gebruiken over de volgende onderwerpen:
- Lichtbronnen
- Het kleurenspectrum en kleuren zien
- Het toepassen van de spiegelwet
- Schaduwen tekenen (kernschaduw en bijschaduw)
- Spiegelbeelden tekenen
- Lenzen en het oog
- Constructie van lichtstralen bij een positieve lens
- Infraroodstraling en UV-straling
Wil je ook met andere onderwerpen oefenen?
Hier vind je alle oefentoetsen over de onderwerpen van NaSk.