Procenten berekenen: formule, uitleg & oefenopgaven
Een procent (%) is één honderdste deel van een geheel. Je berekent een percentage met de formule: percentage = (deel ÷ geheel) × 100. Procenten gebruik je overal: bij korting in de winkel, btw op een rekening, een rentepercentage op een spaarrekening of een cijfer op een toets. Op deze pagina leer je de drie soorten procentsommen die je op vmbo, havo en vwo tegenkomt, met formule, voorbeelden, veelgemaakte fouten en oefenopgaven inclusief uitwerkingen.
Formules procenten berekenen
Bij procenten draait het altijd om de verhouding tussen een deel en een geheel. Welke formule je gebruikt, hangt af van wat je weet en wat je zoekt.
Er zijn drie hoofdformules:
1. Percentage berekenen uit deel en geheel
percentage = (deel ÷ geheel) × 100
2. Deel berekenen als je het percentage en geheel weet
deel = (percentage ÷ 100) × geheel
3. Procentuele stijging of daling
verandering % = ((nieuw − oud) ÷ oud) × 100
Een positieve uitkomst bij formule 3 betekent een stijging, een negatieve uitkomst betekent een daling. Voor het omgekeerde (terugrekenen naar de oude waarde) gebruik je: oude waarde = nieuwe waarde ÷ (1 + p ÷ 100).
Een positieve uitkomst bij formule 3 betekent een stijging; een negatieve uitkomst betekent een daling. Voor het omgekeerde (terugrekenen naar de oude waarde) gebruik je: oude waarde = nieuwe waarde ÷ (1 + p ÷ 100).
Belangrijke begrippen
Voordat je begint met rekenen, is het handig om de begrippen te kennen.
In bijna elke procentsom kom je deze termen tegen:
Procent (%) : één honderdste deel van een geheel. 1% van 200 is dus 2.
Deel : het stuk van het geheel waarover de vraag gaat. Bijvoorbeeld: het aantal meisjes in een klas.
Geheel (100%) : het totaal waar je vanuit gaat. Bijvoorbeeld: alle leerlingen in de klas.
Procentuele verandering : de stijging of daling tussen twee waarden, uitgedrukt in procenten.
Groeifactor : het getal waarmee je de oude waarde vermenigvuldigt om de nieuwe waarde te krijgen. Bij een stijging van 20% is de groeifactor 1,20; bij een daling van 20% is het 0,80.
Procentpunt : het verschil tussen twee percentages. Stijgt de rente van 3% naar 5%, dan is dat 2 procentpunt erbij (en geen 2% erbij).
Voorbeeldberekeningen
Hieronder zie je drie uitgewerkte voorbeelden, één voor elke formule. Volg de tussenstappen, die zijn op een toets net zo belangrijk als het eindantwoord.
Voorbeeld 1: Hoeveel procent is iets van iets?
In een klas zitten 30 leerlingen. Daarvan komen er 12 op de fiets naar school. Hoeveel procent van de leerlingen komt op de fiets?
Stap 1: Bepaal het deel en het geheel. Het deel is 12 (fietsers), het geheel is 30 (alle leerlingen).
Stap 2: Vul de formule in: percentage = (12 ÷ 30) × 100.
Stap 3: Reken uit: 12 ÷ 30 = 0,4 → 0,4 × 100 = 40.
Antwoord: 40% van de leerlingen komt op de fiets.
Voorbeeld 2: Hoeveel is X% van een bedrag?
Een spijkerbroek van €80 is 25% afgeprijsd. Hoeveel korting krijg je in euro's, en wat is de nieuwe prijs?
Stap 1: Vul de formule in: deel = (25 ÷ 100) × 80.
Stap 2: Reken uit: 25 ÷ 100 = 0,25 → 0,25 × 80 = 20.
Stap 3: Trek de korting van de oorspronkelijke prijs af: 80 − 20 = 60.
Antwoord: je krijgt €20 korting en betaalt €60.
Sneller met groeifactor: nieuwe prijs = 80 × 0,75 = 60. De groeifactor 0,75 hoort bij een daling van 25%.
Voorbeeld 3: Procentuele stijging
Het aantal abonnees van een streamingdienst groeit van 250.000 naar 320.000. Met hoeveel procent is het aantal abonnees gestegen?
Stap 1: Bepaal oude en nieuwe waarde. Oud = 250.000, nieuw = 320.000.
Stap 2: Vul in: verandering % = ((320.000 − 250.000) ÷ 250.000) × 100.
Stap 3: Reken uit: 70.000 ÷ 250.000 = 0,28 → 0,28 × 100 = 28.
Antwoord: het aantal abonnees is met 28% gestegen.
Veelgemaakte fouten
Procenten lijken simpel, maar juist bij toetsen gaat het hier vaak mis. Fouten maken is niet erg; juist van die fouten leer je het meest. Let op deze klassiekers:
Verkeerde basis (geheel) kiezen. Bij een prijsstijging is de oude prijs 100%, niet de nieuwe. Reken je per ongeluk vanaf de nieuwe prijs, dan krijg je een te laag percentage.
× 100 vergeten. Vergeet je de laatste stap, dan krijg je 0,40 in plaats van 40%. Schrijf het %-teken altijd direct bij je antwoord.
Procent en procentpunt door elkaar halen. Een rente die stijgt van 4% naar 6% is 2 procentpunt erbij, en 50% erbij.
Korting op korting optellen. Eerst 20% korting en daarna nog 10% korting is geen 30% korting. Je rekent de tweede korting over het al verlaagde bedrag.
Terugrekenen met dezelfde groeifactor. Als iets met 20% stijgt (× 1,20), reken je niet terug door 20% af te trekken, maar door te delen door 1,20.
Oefenopgaven met uitwerkingen
Vier opgaven, oplopend in moeilijkheid. Probeer ze eerst zelf en check daarna pas de uitwerking. Tip: schrijf altijd je tussenstappen op, daar krijg je punten voor, ook als je eindantwoord niet helemaal klopt.
Opgave 1: Basis
Van de 80 leerlingen in een schooljaar halen er 60 hun diploma.
Hoeveel procent slaagt?
Uitwerking: (60 ÷ 80) × 100 = 0,75 × 100 = 75. Antwoord: 75% slaagt.
Opgave 2: Korting berekenen
Een fiets kost €450. In de uitverkoop krijg je 15% korting. Hoeveel betaal je?
Uitwerking: korting = (15 ÷ 100) × 450 = 67,50. Nieuwe prijs = 450 − 67,50 = 382,50. Antwoord: je betaalt €382,50. Sneller: 450 × 0,85 = 382,50.
Opgave 3: Procentuele stijging
De huur van een kamer was vorig jaar €420 en is nu €462.
Met hoeveel procent is de huur gestegen?
Uitwerking: ((462 − 420) ÷ 420) × 100 = (42 ÷ 420) × 100 = 0,10 × 100 = 10.
Antwoord: de huur is met 10% gestegen.
Opgave 4: Terugrekenen (omgekeerd percentage)
Na 21% btw kost een laptop €847. Wat is de prijs zonder btw?
Uitwerking: €847 is 121% van de prijs zonder btw (100% + 21% btw). Prijs zonder btw = 847 ÷ 1,21 = 700. Antwoord: €700. Veelgemaakte fout: 21% van 847 aftrekken, dat geeft een te laag bedrag.
Meer oefenen met procenten?
Op ToetsMij vind je oefentoetsen voor procenten op vmbo-, havo- en vwo-niveau, met heldere uitwerkingen bij elke vraag. Aansluitend op Getal en Ruimte, Moderne Wiskunde en Kern Wiskunde, zodat je oefent met sommen die op jouw toets terugkomen.
Verschil procent en procentpunt
Dit verschil zorgt op toetsen vaak voor verwarring, maar het is goed te onthouden met een tabel:
Veelgestelde vragen
Hoe bereken je procenten op een rekenmachine?
Toets in: deel ÷ geheel × 100 = . Voor 12 van de 30 leerlingen: 12 ÷ 30 × 100 = 40. De meeste rekenmachines hebben ook een %-toets, maar die werkt per merk anders. De formule werkt altijd.
Wat is het verschil tussen procent en breuk?
Een procent is een breuk met noemer 100. Zo is 25% hetzelfde als 25/100, oftewel 1/4. Je kunt elke breuk omzetten naar een procent door teller te delen door noemer en × 100 te doen.
Hoe reken je procenten terug naar de oude waarde?
Gebruik de formule: oude waarde = nieuwe waarde ÷ (1 + p ÷ 100). Voorbeeld: na 21% btw kost een product €121. De oude prijs is dan 121 ÷ 1,21 = 100. Bij een daling deel je door (1 − p ÷ 100).
Wat is de groeifactor en wanneer gebruik je die?
De groeifactor is het getal waarmee je de oude waarde vermenigvuldigt om de nieuwe te krijgen. Bij +20% is de groeifactor 1,20; bij −20% is het 0,80. Op havo en vwo gebruik je groeifactoren om snel meerdere periodes door te rekenen, bijvoorbeeld bij samengestelde rente.
In welke klas leer je procenten berekenen?
Procenten berekenen begint in groep 7 van de basisschool. In de brugklas (vmbo, havo, vwo) komt het terug bij wiskunde, en in klas 2 en 3 wordt het uitgebreid met procentuele verandering, groeifactoren en samengestelde rente.