Le Présent: Uitleg en voorbeelden
Le présent is de tegenwoordige tijd in het Frans. Je gebruikt deze tijd om aan te geven dat er nu iets gebeurt. In deze tekst leggen we je uit wat le présent is en hoe je le présent met regelmatige werkwoorden vormt.
Wat is de Le Présent in Frans?
Le présent is de Franse benaming van de tegenwoordige tijd. Net als in het Nederlands gebruik je de tegenwoordige tijd om aan te geven dat iets op dit moment gebeurt. Je kunt aan de vorm van het werkwoord zien in welke tijd de zin staat en hoeveel personen de actie uitvoeren.
Een paar voorbeelden van zinnen in le présent zijn:
| Nederlands | Frans |
| Ik loop naar school. | Je marche à l’école. |
| Jij kiest een boek. | Tu choisis un livre. |
| Hij spreekt Frans. | Il parle français. |
Welke tijd is de Le Présent?
Le présent is de tegenwoordige tijd. Je gebruikt deze werkwoordsvorm daarom om aan te geven dat iets zich nu afspeelt. Wil je zeggen dat iets in het verleden gebeurd is? Dan gebruik je de verleden tijd. In het Frans kennen ze verschillende soorten verleden tijden, zoals de passé composé en de imparfait.
Wanneer gebruik je de Le Présent?
Je gebruikt le présent om aan te geven dat iets op dit moment gebeurt. Ook algemene waarheden, gewoontes en iets wat in de nabije toekomst zeker gebeurt, wordt in le présent gezegd. Om dit wat duidelijker te maken, geven we je een paar voorbeelden:
| Nederlands | Frans | Reden voor le présent |
| Ik lees een boek. | Je lis un livre. | Handeling die nu gebeurt. |
| Zij spelen elke dag. | Elles jouent tous les jours. | Duidelijke gewoonte. |
| Wij werken morgen in de tuin. | Nous travaillons demain dans le jardin. | Handeling die in de nabije toekomst zeker gebeurt. |
Hoe vorm je de Le Présent?
Hoe je le présent vormt, ligt aan het type werkwoord dat je moet vervoegen. Er zijn in het Frans regelmatige werkwoorden die op -er, -re en -ir eindigen. Elk van deze soorten werkwoorden wordt op een eigen manier vervoegd. We leggen het je hieronder uit.
Werkwoorden eindigend op -er
Voor het vervoegen van regelmatige werkwoorden die eindigen op -er gebruik je voor le présent het onderstaande stappenplan.
- Kijk naar het hele werkwoord → Bijvoorbeeld parler.
- Haal -er van het werkwoord om de stam te krijgen → parl.
- Voeg de juiste uitgang aan de stam toe → Bijvoorbeeld parle bij de ik-vorm en parlons bij de wij-vorm.
Voor het vervoegen van de werkwoorden moet je de uitgangen dus goed kennen. Het gaat om:
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (werkwoord parler) |
| Ik | -e | je parle |
| Jij | -es | tu parles |
| Zij/hij | -e | elle/il parle |
| Wij | -ons | nous parlons |
| Jullie/u | -ez | vous parlez |
| Zij (meervoud) | -ent | elles/ils parlent |
Werkwoorden eindigend op -re
Voor het vervoegen van regelmatige werkwoorden die op -re eindigen, volg je een soortgelijk stappenplan. Haal -re van het werkwoord om de stam te krijgen en voeg de juiste uitgang toe. Wel zijn de uitgangen die je toevoegt anders dan bij werkwoorden die op -er eindigen.
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (werkwoord attendre) |
| Ik | -s | je attends |
| Jij | -s | tu attends |
| Zij/hij | - | elle/il attend |
| Wij | -ons | nous attendons |
| Jullie/u | -ez | vous attendez |
| Zij (meervoud) | -ent | elles/ils attendent |
Werkwoorden eindigend op -ir
De laatste groep regelmatige werkwoorden die je moet kunnen vervoegen, zijn werkwoorden die eindigen op -ir. Ook nu volg je weer hetzelfde stappenplan, maar voeg je weer andere uitgangen toe. Om de stam van het woord te vinden, haal je -ir van het hele werkwoord af.
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (werkwoord finir) |
| Ik | -is | je finis |
| Jij | -is | tu finis |
| Zij/hij | -it | elle/il finit |
| Wij | -issons | nous finissons |
| Jullie/u | -issez | vous finissez |
| Zij (meervoud) | -issent | elles/ils finissent |
Onregelmatige werkwoorden
Helaas zijn er ook veel onregelmatige werkwoorden, die zich niet aan bovenstaande regels houden. Die werkwoorden moet je dus op een andere manier vervoegen om le présent te krijgen. In onze artikelen over die werkwoorden leer je er meer over. Bekijk bijvoorbeeld hoe je être moet vervoegen.
Oefenen met meer voorbeelden
Le présent is een belangrijke werkwoordstijd om in het Frans te beheersen. Hoe je de regelmatige werkwoorden vervoegt, hangt af van of het hele werkwoord op -er, -ir of -re eindigt. Om dit goed onder de knie te krijgen, kun je met voorbeelden oefenen. We geven je een paar goede oefeningen.
- Je [parler] français.
- Nous [choisir] un film.
- Tu [perdre] le match.
Antwoorden
- Je parle français.
- Nous choisissons un film.
- Tu perds le match.
Wil je met nog meer voorbeelden oefenen? De oefentoetsen op Toets-mij.nl helpen je daarbij.
Klik hier voor oefentoetsen over dit onderwerp. Wil je andere onderwerpen oefenen? Hier vind je alle oefentoetsen over Grammatica Frans.