Modale werkwoorden in het Duits: können, müssen, wollen, dürfen, sollen en mögen
Op deze pagina leer je de zes Duitse modale werkwoorden vervoegen en gebruiken. Je krijgt de volledige vervoegingstabel voor de tegenwoordige en de verleden tijd, de woordordeuregel waarmee je het tweede werkwoord op de juiste plek zet, het verschil tussen müssen en sollen, het verschil tussen mögen en möchten en de valkuil bij ontkenningen.
Inhoudsopgave
Samenvatting
Het Duits heeft zes modale werkwoorden: können (kunnen), müssen (moeten), wollen (willen), dürfen (mogen), sollen (behoren te) en mögen (graag lusten). Ze staan bijna nooit alleen: je gebruikt ze samen met een tweede werkwoord dat in de infinitief aan het eind van de zin komt. Alle zes hebben dezelfde onregelmatigheid: bij ich en bij er, sie, es krijgen ze geen uitgang, en bij vijf van de zes verandert in het enkelvoud de klinker. In de verleden tijd zijn ze regelmatig maar verliezen ze hun umlaut: ich konnte, ich musste, ich wollte.
Wat is een modaal werkwoord?
Een modaal werkwoord zegt iets over de manier waarop je iets doet of over de verhouding tot een handeling. Het gaat niet over de handeling zelf, maar over of je die kunt, moet, wilt of mag doen. Daarom staat er bijna altijd een tweede werkwoord bij.
Vergelijk Ich spiele Fußball met Ich muss Fußball spielen. Het tweede werkwoord spielen zegt wat er gebeurt, en muss zegt hoe je daar tegenover staat. Het modale werkwoord is vervoegd, het tweede werkwoord blijft in de infinitief.
De zes modale werkwoorden en hun betekenis
| Werkwoord | Betekenis | Wat het uitdrukt | Voorbeeld |
| können | kunnen | vermogen of mogelijkheid | Ich kann schwimmen. |
| müssen | moeten | noodzaak of verplichting | Ich muss lernen. |
| wollen | willen | eigen wil | Ich will nach Berlin fahren. |
| dürfen | mogen | toestemming | Darf ich das Fenster öffnen? |
| sollen | moeten van iemand anders | opdracht of advies | Du sollst mehr schlafen. |
| mögen | graag lusten | voorkeur | Ich mag Pizza. |
Er is een zevende werkwoord dat er vaak bij wordt genoemd: möchten, wat zou willen betekent. Dat is eigenlijk een vorm van mögen, maar het gedraagt zich als een apart modaal werkwoord en je gebruikt het heel vaak, bijvoorbeeld als je iets besteedt: Ich möchte einen Kaffee.
De vervoeging in de tegenwoordige tijd
Dit is de tabel die je uit je hoofd wilt kennen. Kijk vooral naar het patroon: bij ich en bij er, sie, es is de vorm hetzelfde en krijgt hij geen uitgang.
| Persoon | können | müssen | wollen | dürfen | sollen | mögen | möchten |
| ich | kann | muss | will | darf | soll | mag | möchte |
| du | kannst | musst | willst | darfst | sollst | magst | möchtest |
| er, sie, es | kann | muss | will | darf | soll | mag | möchte |
| wir | können | müssen | wollen | dürfen | sollen | mögen | möchten |
| ihr | könnt | müsst | wollt | dürft | sollt | mögt | möchtet |
| sie en Sie | können | müssen | wollen | dürfen | sollen | mögen | möchten |
Twee dingen vallen op. Ten eerste: ich kann en er kann zijn identiek, en dat geldt voor alle zes. Ich kanne en er kannt bestaan niet. Ten tweede: in het enkelvoud verdwijnt de umlaut. Können wordt kann, müssen wordt muss, dürfen wordt darf, mögen wordt mag. Alleen bij sollen en wollen is er geen umlaut om te verliezen, en bij wollen verandert de o wel in een i.
In het meervoud is de vervoeging juist heel normaal: wir können, ihr könnt, sie können volgen precies de gewone uitgangen. De onregelmatigheid zit dus alleen in het enkelvoud.
Het patroon van alle zes
ich en er hebben dezelfde vorm en krijgen geen uitgang.
In het enkelvoud valt de umlaut weg: können wordt kann, müssen wordt muss, dürfen wordt darf, mögen wordt mag.
Als je deze twee regels kent, kun je alle zes werkwoorden vervoegen zonder zes losse rijtjes te leren.
De woordorde: het tweede werkwoord gaat naar achteren
Dit is het onderdeel waar op toetsen het vaakst punten verloren gaan. Het modale werkwoord staat vervoegd op de tweede plaats in de zin, en het tweede werkwoord gaat als infinitief helemaal naar het eind.
| Zinsdeel 1 | Modaal werkwoord | Rest van de zin | Infinitief |
| Ich | muss | heute Abend für die Prüfung | lernen. |
| Wir | können | am Wochenende ins Kino | gehen. |
| Meine Schwester | will | nächstes Jahr nach Deutschland | ziehen. |
| Du | darfst | hier nicht | parken. |
In een vraag zonder vraagwoord komt het modale werkwoord vooraan, maar de infinitief blijft achteraan: Kannst du mir helfen? In een bijzin met dass of weil gaan beide werkwoorden naar achteren, met het modale werkwoord als laatste: Ich weiß, dass du morgen kommen musst.
Als het modale werkwoord alleen staat
Soms laat je het tweede werkwoord weg, omdat het uit de context duidelijk is. Dat mag en het klinkt heel natuurlijk.
- Ich kann Deutsch. Bedoeld is: ich kann Deutsch sprechen.
- Ich muss nach Hause. Bedoeld is: ich muss nach Hause gehen.
- Ich mag Pizza. Hier staat mögen als gewoon werkwoord.
- Was willst du? Bedoeld is: was willst du haben.
Müssen of sollen: het verschil
Deze twee betekenen in het Nederlands allebei moeten, maar ze zeggen iets anders over waar de druk vandaan komt.
| Werkwoord | De verplichting komt van | Voorbeeld | Betekenis |
| müssen | de omstandigheden of jezelf | Ich muss zum Arzt. | Het kan niet anders, ik ben ziek. |
| sollen | iemand anders die het zegt | Ich soll zum Arzt. | Iemand heeft gezegd dat ik naar de dokter moet. |
| sollen | een advies of een verwachting | Du sollst mehr Wasser trinken. | Dat is het advies dat je krijgt. |
| sollen | een vraag om instructie | Was soll ich machen? | Wat wil je dat ik doe? |
Een handige toets: kun je erachter denken van iemand anders, dan is het sollen. Bij een verplichting die uit de situatie zelf komt, gebruik je müssen.
Können of dürfen
Deze twee betekenen in het Nederlands vaak allebei kunnen of mogen, maar ook hier is het verschil scherp.
| Werkwoord | Gaat over | Voorbeeld | Betekenis |
| können | of je het kunt | Ich kann schwimmen. | Ik beheers het zwemmen. |
| dürfen | of het mag | Ich darf schwimmen. | Ik heb toestemming om te zwemmen. |
| können | of het mogelijk is | Das kann passieren. | Dat is mogelijk. |
| dürfen | een hoflijke vraag | Darf ich Sie etwas fragen? | Mag ik u iets vragen? |
Mögen of möchten
Mögen betekent leuk of lekker vinden en gebruik je meestal zonder tweede werkwoord. Möchten betekent zou willen en gebruik je juist als je iets vraagt of bestelt.
| Vorm | Betekenis | Voorbeeld |
| mögen | iets of iemand aardig of lekker vinden | Ich mag Schokolade. Ich mag ihn nicht. |
| möchten | iets willen hebben of doen, hoflijk | Ich möchte ein Eis, bitte. |
| möchten | een hoffelijk verzoek | Möchtest du mitkommen? |
| wollen | iets echt willen, directer | Ich will ein Eis. |
Het verschil tussen Ich will en Ich möchte is een kwestie van toon. Ich will klinkt in het Duits behoorlijk direct, bijna eisend. In een winkel of een restaurant gebruik je daarom altijd möchte. Op een schrijfvaardigheidstoets levert dat punten op, want beoordelaars kijken naar de juiste toon.
De verleden tijd van modale werkwoorden
In de verleden tijd zijn de modale werkwoorden juist regelmatig: ze krijgen te en de gewone uitgangen. Wat verandert is dat de umlaut verdwijnt.
| Persoon | können | müssen | wollen | dürfen | sollen | mögen |
| ich | konnte | musste | wollte | durfte | sollte | mochte |
| du | konntest | musstest | wolltest | durftest | solltest | mochtest |
| er, sie, es | konnte | musste | wollte | durfte | sollte | mochte |
| wir | konnten | mussten | wollten | durften | sollten | mochten |
| ihr | konntet | musstet | wolltet | durftet | solltet | mochtet |
| sie en Sie | konnten | mussten | wollten | durften | sollten | mochten |
Voor het verleden gebruik je bij modale werkwoorden vrijwel altijd deze vorm, ook in spreektaal. Je zegt Ich musste gestern lernen en niet ich habe lernen müssen. Dat laatste bestaat wel, maar komt bijna alleen in geschreven Duits voor.
Ontkenningen: de valkuil van nicht müssen
Bij modale werkwoorden verandert de betekenis flink als je nicht toevoegt, en dat werkt anders dan in het Nederlands.
| Duits | Betekenis | Let op |
| Ich muss nicht kommen. | Ik hoef niet te komen. | Het is niet nodig, niet verboden. |
| Ich darf nicht kommen. | Ik mag niet komen. | Dit is het echte verbod. |
| Ich kann nicht kommen. | Ik kan niet komen. | Het is onmogelijk. |
| Ich will nicht kommen. | Ik wil niet komen. | Eigen keuze. |
| Ich soll nicht kommen. | Iemand zegt dat ik niet moet komen. | Advies of instructie. |
Het verschil tussen nicht müssen en nicht dürfen is een vaste toetsvraag. Wil je een verbod uitdrukken, dan gebruik je altijd dürfen: Hier darf man nicht rauchen. Met muss nicht zou je zeggen dat roken niet verplicht is, en dat is iets heel anders.
Fouten die je makkelijk kunt voorkomen
| Fout | Correct | Waarom |
| Ich kanne schwimmen. | Ich kann schwimmen. | Bij ich krijgt een modaal werkwoord geen uitgang. |
| Er muss lernt. | Er muss lernen. | Het tweede werkwoord blijft in de infinitief. |
| Ich muss gehen nach Hause. | Ich muss nach Hause gehen. | De infinitief gaat helemaal naar het eind van de zin. |
| Ich will ein Kaffee, bitte. | Ich möchte einen Kaffee, bitte. | Möchte is hoflijker, en Kaffee is mannelijk in de 4e naamval. |
| Hier muss man nicht rauchen. | Hier darf man nicht rauchen. | Een verbod druk je uit met dürfen, niet met müssen. |
| Ich habe gestern lernen müssen. | Ich musste gestern lernen. | Modale werkwoorden gebruiken in het verleden de eenvoudige vorm. |
Veelgestelde vragen
Wat zijn de zes modale werkwoorden in het Duits?
Dat zijn können (kunnen), müssen (moeten), wollen (willen), dürfen (mogen), sollen (moeten van iemand anders) en mögen (graag lusten). Möchten wordt er vaak als zevende bij genoemd en betekent zou willen.
Hoe vervoeg je modale werkwoorden in het Duits?
Bij ich en bij er, sie, es krijgt een modaal werkwoord geen uitgang en zijn de vormen gelijk: ich kann en er kann. In het enkelvoud valt de umlaut weg, dus können wordt kann en müssen wordt muss. In het meervoud volgen ze de gewone uitgangen: wir können, ihr könnt, sie können.
Waar staat het tweede werkwoord bij een modaal werkwoord?
Het modale werkwoord staat vervoegd op de tweede plaats in de zin en het tweede werkwoord gaat als infinitief helemaal naar het eind: Ich muss heute Abend für die Prüfung lernen. In een bijzin gaan beide naar achteren, met het modale werkwoord als laatste.
Wat is het verschil tussen müssen en sollen?
Müssen gebruik je als de verplichting uit de omstandigheden of uit jezelf komt. Sollen gebruik je als iemand anders het zegt of als het om een advies gaat. Ich muss zum Arzt betekent dat het niet anders kan; ich soll zum Arzt betekent dat iemand het mij heeft opgedragen.
Wat is het verschil tussen mögen en möchten?
Mögen betekent iets of iemand aardig of lekker vinden en gebruik je meestal zonder tweede werkwoord: Ich mag Schokolade. Möchten betekent zou willen en gebruik je bij verzoeken en bestellingen: Ich möchte ein Eis, bitte. Möchte klinkt hoflijker dan will.
Hoe zeg je in het Duits dat iets verboden is?
Met nicht dürfen: Hier darf man nicht rauchen. Gebruik daarvoor niet nicht müssen, want ich muss nicht betekent dat iets niet nodig is en niet dat het verboden is.
Deel deze pagina met je vrienden
Dit zeggen leerlingen en ouders
Toetsmij: de steun in de rug die elk kind verdient
Als ouder wil je maar één ding: dat je kinderen gezien worden, uitgedaagd worden en het vertrouwen krijgen dat ze méér kunnen dan ze zelf soms denken. Voor ons is Toetsmij daarin een gamechanger geweest.
Onze oudste dochter begon ooit op mavo-kader. Een lieve, slimme meid, maar soms onzeker en zoekend naar structuur. Dankzij de toetsen van Toetsmij.....helder, betrouwbaar, precies op niveau en altijd met ruimte om te groeien kreeg ze stap voor stap het vertrouwen dat ze het wél kon.
En hoe.
Ze stroomde door naar de havo, haalde haar diploma en volgt nu op eigen kracht de lerarenopleiding. Dat is niet alleen haar verdienste, maar ook het resultaat van materialen die haar serieus namen en haar lieten zien waar ze stond en waar ze naartoe kon.
Ook onze jongste dochter profiteert nu van Toetsmij. Ze doet op school al een aantal vakken op hoger niveau, en juist daar is Toetsmij een uitkomst. De toetsen sluiten perfect aan, dagen uit zonder te overweldigen en geven precies de feedback die ze nodig heeft om verder te groeien.
Het voelt alsof er iemand meedenkt, iemand die begrijpt dat elk kind anders leert en dat kwaliteit het verschil maakt.
Wat Toetsmij voor ons bijzonder maakt:
- Super betrouwbaar, e weet dat de toetsen kloppen, aansluiten en eerlijk meten.
- Meedenkend, het voelt alsof er altijd iemand achter de schermen staat die begrijpt wat leerlingen nodig hebben.
- Topkwaliteit geen rommel, geen gokwerk, maar echt professioneel materiaal waar scholen jaloers op zouden zijn.
Voor ons is Toetsmij niet zomaar een hulpmiddel. Het is een partner in de ontwikkeling van onze kinderen. Een stille kracht die hen helpt groeien, bloeien en boven zichzelf uitstijgen.
En als trotse ouder kan ik maar één ding zeggen:
Dankjewel, Toetsmij. Jullie maken écht het verschil.
Hele fijne en goede ondersteuning bij…
Hele fijne en goede ondersteuning bij de voorbereiding van de middelbare school toetsen. Havo/vwo brugjaren gebruik gemaakt van Toetsmij. Realistische toetsen. Vraag en antwoorden zijn top. Cijfers zijn omhoog gegaan maar ook het begrip van de stof en hoe een toets is opgebouwd. Goede snelle communicatie met de organisatie. Kortom een aanrader!!!
Eindelijk goede punten!
Mijn dochter heeft vorig jaar haar examen vmbo-GT niet gehaald! Dit jaar was dus extra stress! We zijn gewend en zo liep het nu ook weer dat ze het net op het randje vaak net red. Maarja we wilden geen herhaling van vorig jaar! In de laatste maanden hebben we toen toch gekozen voor toetsmij. Sceptisch maar toch wel te proberen. En nu is ze gewoon geslaagd met hoge punten!!!!!
Ik denk dat dat o.a komt omdat ze geen lezer is en daardoor niets bijblijft. Toetsmij is doen. Ik zeg aanrader!!!!
Zoek in meer dan 10.000 toetsen
Echte toetsvragen, precies aansluitend op jouw lesmethode en leerjaar. Voor alle klassen en alle niveaus